Gepubliceerd op: 30 april 2026
‘De aanstaande dienaren der mensheid.’
Drankbestrijding en hervormingsidealen in het studentenleven na de Eerste Wereldoorlog
Leroy Fisscher
Leroy Fisscher (1996) is historicus en conservator bij het Jenevermuseum. Hij haalde in 2021 zijn master geschiedenis aan de Universiteit Leiden, met het zijn scriptie ‘De neut en de natie' over de relatie tussen jenever en de Nederlandse identiteit. Sindsdien onderzoekt hij de Nederlandse drankgeschiedenis, wat heeft geresulteerd in meerdere artikelen en zijn boek Jenever in de Wereld (verwacht november 2026).
Bron coverafbeelding: Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-89.757.
‘Is de wetenschap soms een rem voor socialen arbeid?’ In 1919 schrijft L. Banning, praeses van de Utrechtsche R.K. Studenten Drankbestrijdersclub, een artikel in het Roomsch Studentenblad en stelt deze kritische vraag aan zijn medestudenten, waarin hij zijn katholieke medestudenten oproept om zich ook tegen drank te verzetten. Waar menig leeftijdsgenoot in zijn studententijd juist om gezelligheidsredenen leerde drinken, had Banning een sterk alternatief zelfbeeld voor de student in het vizier. ‘Integendeel’, schrijft hij verder:
juist omdat wij de wetenschap beoefenen, omdat wij later door die wetenschap toonaangevend zullen zijn en door onze positie in de maatschappij op ons én als katholiek en als mensch de plicht zal rusten deel te nemen aan socialen arbeid is het noodzakelijk dat wij het alcoholvraagstuk bestudeeren en zoeken naar middelen tot leniging van de drankellende.[1]
Op lokaal niveau werd er wel gedaan aan studentendrankbestrijding, maar die geografische verdeeldheid had maar beperkt resultaat en dat was voor hem niet genoeg. Dus deed Banning een voorstel: de oprichting van een ‘interacademiale drankweer’. Op 30 januari 1921, op de Vijfde Roomsche Studentendag – een jaarlijks congres voor katholieke studenten – in Delft, werd het idee werkelijkheid: de Rooms-Katholieke Drankweer-Interakademiale (RKDI) werd een feit.
Een studentenorganisatie tegen drank? Het lijkt misschien wat tegenstrijdig en dat is niet geheel onterecht: vandaag de dag zijn studenten nog steeds oververtegenwoordigd in het aantal alcoholmisbruikers.[2] Maar daartegenover staat ook dat studenten een belangrijke bijdrage leverden aan de drankbestrijdingsbeweging, waarvan de RKDI één van de meest succesvolle was.
Historicus Pieter Caljé spreekt in zijn artikel De omkeer in ’t studentenleven’: de pogingen tot hervorming van het studentenleven rond 1920 (1992) van een ‘golf van idealisme die de studentenwereld tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog overspoelde’.[3] In zijn artikel benadrukt hij de maatschappelijke, intellectuele en morele heroriëntatie die zich uitte in een nationaal besef en verantwoordelijkheidsgevoel onder studenten. Drankbestrijding wordt in het artikel niet noemenswaardig bestudeerd, ondanks dat de titel ervan verwijst naar een boek van drankbestrijder dr. Gerard Brom. In zijn De omkeer in ’t Studentenleven (1923) is juist een heel hoofdstuk gewijd aan drankbestrijding onder studenten.[4]
Toch is er, mede dankzij de RKDI, een toename in aandacht voor studentendrankbestrijding te bemerken in dezelfde periode. Welke rol speelde de studentendrankbestrijding, en specifiek de RKDI, in de bredere hervorming van het Nederlandse studentenleven rond 1920?
Historiografie, brongebruik en opzet
Zowel de geschiedenis van het studentenleven als die van drankbestrijding zijn nog onderbelichte onderwerpen in de historiografie. Dit gebrek aan onderzoek over drankbestrijding heeft verschillende redenen. Ten eerste waren de Nederlandse drankbestrijdingsorganisaties tot op het bot verdeeld; ze lagen geografisch verspreid door heel het land, maar waren door de verzuiling ook ideologisch ver van elkaar verwijderd. Pogingen tot de oprichting van nationale verenigingen waren schaars en weinig succesvol.[5] Daarbij werd er per organisatie vaak nog onderscheid gemaakt tussen ‘matigheidsbewegingen’, ‘geheelonthouders’ en ‘afschaffers’.
Ten tweede zijn primaire bronnen over de Nederlandse drankbestrijding opvallend schaars. De vele pamfletten, affiches, schotschriften en andere propagandamiddelen die de verschillende, maar actieve bewegingen hebben geproduceerd zijn slechts beperkt bewaard gebleven. Over studentengemeenschappen is al helemaal weinig geschreven. In de afgelopen dertig jaar is eigenlijk alleen de bundel Keurige Wereldbestormers (2008) noemenswaardig betreffende dit onderwerp, hoewel drankbestrijding daarin niet behandeld wordt.
Een belangrijk archief voor drankbestrijding bevindt zich in het Katholiek Documentatiecentrum (KDC) van de Radboud Universiteit te Nijmegen. Hier bevinden zich enkele archieven van studentenafdelingen van de landelijke katholieke drankbestrijdingsbeweging Sobriëtas, waarvan de RKDI de belangrijkste is.[6] Deze archieven vormen de kern van dit onderzoek. Waar nodig worden ze ondersteund met enkele bronnen over studentendrankbestrijding uit het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis en enkele studentenbladen die worden beheerd door het Nationaal Archief.
Dit artikel toont aan dat de RKDI als knooppunt fungeerde van internationale idealen, katholieke emancipatie en studentikoze organisatievorming. Als eerste zal ik ingaan op studentendrankbestrijding vóór de vermeende ‘omkeer’ van 1920; ten tweede kijk ik naar de oprichting, werking en ontwikkeling van de RKDI; en tot slot zal ik kijken naar de ondergang en erfenis van de rol van studenten in de katholieke drankbestrijdingsbeweging.
1. ‘Studenten, dus menschen in vorming’: Studentendrankbestrijding vóór 1919
Drankbestrijdingsorganisaties onder studenten waren geen nieuw concept in de naoorlogse hervormingsbeweging. Universiteitssteden kenden al decennia lokale studentendrankbestrijdingsclubs. Voordat er bepaald kan worden in hoeverre er sprake was van een omkeer, is het belangrijk eerst naar de drankbestrijding onder studenten te kijken vóór 1919. Enkele publicaties onder redactie van de radicaal-activistische bioloog Jacob van Rees (1854-1928), vanaf 1886 hoogleraar histologie aan de Universiteit van Amsterdam, aangevuld met enkele studentenbladen, geven een beeld van de vooroorlogse studentendrankbestrijding.
1.1 Omvang en organisatie
Van Rees stond aan de wieg van enkele studentendrankbestrijdingsorganisaties. Voor het Amsterdamse studentenblad Propria Cures schreef hij bijvoorbeeld in 1896 het pamflet Waarom Geheel-onthouders ook in de Studenten-wereld? Daarmee krijgen we een inzicht in de drankbestrijding van zijn tijd. Zo laat Van Rees zeer tevreden weten dat, sinds de oprichting van een lokale afdeling van tien leden in Groningen, ‘de besmetting thans alle 4 Universiteitssteden heeft aangetast’.[7]
Hoogleraar in Nijmegen en Secretaris van de Unie van R.K. Studenten-Vereenigingen, Gerard Brom, spreekt in zijn boek over ‘deze stormaanval op de drinkdwang’ in het laatste decennium van de negentiende eeuw, gebaseerd op ‘sociale motieven, godsdienstige beginselen, die vooral theologen dreven, en niet te vergeten het hygiënies element van de sport’, verwijzend naar de recente opkomst van diverse sporten in het studentenleven.[8] De successen van deze bewegingen zijn in de publicaties van Van Rees met veel enthousiasme geïllustreerd, maar daaruit blijkt ook dat deze veel te wensen overlieten. Zo benoemt Van Rees dat de zogenaamde ‘besmetting’ in zijn ogen af te lezen is uit het feit dat de organisaties voor het eerst langer dan een jaar hebben bestaan, wat impliceert dat eerdere pogingen al snel op niets waren uitgelopen.
Er waren ook al laatnegentiende-eeuwse pogingen tot een nationale samenwerking tussen studentendrankbestrijders. In 1894 kwamen 36 studenten samen in Utrecht om de Nederlandsche Studenten-geheelonthouders-vereeniging op te richten. Volgens Brom telde deze beweging vijf jaar later honderden leden. Een ander voorbeeld is de Nederlandsche Studentengeheelonthouders Vereeniging (NSGOV), opgericht te Amsterdam in 1913. In dezelfde periode was ook de Nederlandsche Studenten Anti-alcohol Bond actief.
1.2 De student als doelgroep
Het Nederlandse studentenleven van vlak na de Eerste Wereldoorlog was in veel opzichten anders dan hoe we dat nu kennen. Studenten aan hogescholen of beroepscolleges kwamen pas in de tweede helft van de negentiende eeuw op, dus onder ‘student’ werd iemand die aan de universiteit studeerde verstaan. Dit waren bijna uitsluitend mannen en bovendien rijk genoeg om te gaan studeren. Nederland telde in 1921 slechts 8500 studenten, verdeeld over slechts een handvol universiteitssteden: Delft, Leiden, Utrecht, Groningen en Amsterdam. Verder had de Katholieke Universiteit Nijmegen bij de oprichting in 1923 slechts 189 studenten. Het aandeel studenten dat zich aansloot bij een vereniging was – in ieder geval procentueel – erg hoog. Het Utrechts Studenten Corps verwelkomde jaarlijks een vergelijkbaar aantal nieuwe leden, het Delftsch Studenten Corps was in 1921 teleurgesteld met 115 nieuwe inschrijvingen.[9] Onder de katholieke studenten was dit aanzienlijk minder: van de ruim 1100 katholieke studenten in 1921, was maar 93 lid van een studentenvereniging.[10]
Er waren drie redenen waarom ‘de student’ als doelgroep belangrijk werd geacht. Studenten hadden ten eerste de leeftijd waarop ze zich als volwassene, als zelfstandig burger en als intellectueel ontwikkelden – een belangrijke levensfase om invloed op uit te oefenen. De pedagogische motivatie voor drankweer onder ‘de jonge intellectueel’ en ‘[s]tudenten, dus menschen in vorming’ wordt meermaals aangehaald.[11] Dit betrof zowel de ‘vorming’ tot een bewust alcoholgebruiker of zelfs een onthouder, als tot de ontwikkeling van student tot drankbestrijder. Daarbij was het immers in de studententijd dat velen het alcoholdrinken leerden. Van Rees schrijft in een schotschrift aan toekomstige studenten bijvoorbeeld over ‘dat ene grote gevaar: de waan, dat alkohol-gebruik nodig is voor vrolikheid, gezelligheid en gastvrijheid’.[12]
Ten tweede betekende investeren in de student ook investeren in de toekomst – Sobriëtas-leider dr. Alphons Ariëns beweerde zelf in Een Nieuwe Lente, Een Nieuwe Tijd, een brochure aan toekomstige studenten uit 1915 (geschreven) onder leiding van Van Rees: ‘wie de jeugd heeft, heeft de toekomst’.[13] De studentendoelgroep was immers niet alleen de jeugd, maar nadrukkelijk de elite die zowel het vermogen als het intellect had om aan de universiteit te studeren en om later maatschappelijke verantwoordelijkheid te dragen.[14] Het is opmerkelijk dat de christen-anarchist Van Rees in deze brochure samenwerkt met katholiek voorman Ariëns. Om de student te bereiken, was men blijkbaar bereid de verzuiling (dan wel avant la lettre) los te laten.[15]
Een derde argument wordt in mindere mate, maar toch enkele malen aangehaald: de student als toekomstig expert in zijn vakgebied, die de drankbestrijdingsbeweging kon versterken. Van Rees spreekt dan ook van ‘de [student]theologen en [-]medici, - de aanstaande dienaren der menschheid bij uitnemendheid’ als de groep waar drankbestrijders vandaan (dienen te) komen.[16] Dit lijkt triviaal, maar het zegt veel over hoe er naar het drankmisbruik werd gekeken, vooral in de negentiende eeuw. Het waren vooral theologen en medici die, vanuit hun academische expertise, de verantwoordelijkheid voelde zich over de drankkwestie te buigen en erover te publiceren.
Hun bijdragen aan het debat hadden invloed op het taalgebruik in deze discussie. Zo werden Bijbelse termen en grootschalige ziektes als metafoor gebruikt voor de drank. Vooral de jenever kreeg de meest apocalyptische verwijten toebedeeld. De theologen Samuel Arnoldus Dwars en Ottho Gerhard Heldring spraken van ‘een volkskanker’ en beweerden dat ‘jenever erger dan de cholera’ was.[17] Jeneverstad Schiedam werd in de Nieuwe Schiedamsche Courant ‘de hel van Nederland’ genoemd en de jenever ‘de Hollandsche duivel’.[18] In een fel betoog uit 1909 noemde Ariëns jenever ‘de geesel der eeuw’.[19] Afbeelding 2 toont een allegorie op de ‘jeneverpest’, met zowel medische als Bijbelse onderbouwing voor drankbestrijding erin verwerkt. De voorbeelden stapelen zich op. Drankmisbruik was in de ogen van de meeste drankbestrijders een gevolg van gebrekkige religieuze overtuiging en (kennis over) volksgezondheid. Het werd dus van zowel de huidige als van toekomstige theologen en medici verwacht dat ze de drankbestrijdingsbewegingen zouden leiden.
1.3 Drankbestrijding in de tijdgeest
De studentendrankbestrijdingsbeweging van de late negentiende eeuw had duidelijk het idee deel uit te maken van een nieuwe tijdsgeest. Van Rees schreef in zijn pamflet uit 1896 meermaals over ‘de geest des tijds’ en beschrijft deze als ‘het verhoogd solidariteitsgevoel en het veldwinnend besef van medeverantwoordelijk te zijn voor de daden van onze’.[20] Het is een duidelijk geluid dat voortkomt uit zijn anarchistische sympathieën. Zo ver was deze omschrijving ideologisch echter niet verwijderd van het overwegend liberale principe van de zogenaamde ‘beschavingsmissie’: het laatnegentiende-eeuwse idee dat de samenleving moest worden opgevoed om een moderne maatschappij te creëren. Studentendrankbestrijding was vaak gelieerd aan al bestaande studentenorganisaties en deze waren meestal liberaal georiënteerd. Liberale en anarchistische beginselen konden verenigd worden in hun gezamenlijke doel: drankbestrijding onder studenten.[21] Het is in deze context dat Van Rees de student benaderde als ‘de aanstaande dienaren der mensheid’.[22]
Deze vooroorlogse argumentatie werd gedeeld door de katholieke drankbestrijdingsbewegingen, hoewel deze meer het accent legden op christelijke naastenliefde. Zo stond er in het jaarboek van Sobriëtas al in 1911: ‘Zou de studentenwereld meenen, dat die plicht van naastenliefde voor hen niet bestaat, terwijl toch hunne medewerking en hun voorbeeld aan onze beweging zulk een krachtigen stoot zou geven?’[23] Er werd een duidelijk appèl gedaan op het plichtsbesef van de intellectuele jeugd.
In een later pamflet van Van Rees uit 1915 is het concept van de ‘nieuwe tijd’ sterker aanwezig. Dit pamflet draagt immers niet voor niets de titel: Een nieuwe lente, een nieuwe tijd. De reden voor deze verschuiving wijdt Van Rees aan de Eerste Wereldoorlog: ‘Vergis ik me niet, dan staat deze tijd – ondanks de verbijsterende oorlogsgebeurtenissen in ten spijt van de militairistiese golfstroom – bij voorkeur in het teken van de vrijheidsdrang’.[24] Deze ‘vrijheidsdrang’ werd volgens hem belichaamd door het studentenleven, waarbij jonge mensen voor het eerst noemenswaardig huis en haard verlieten voor een zelfstandig avontuur. De tijdsgeest werd dit keer vooral vanuit het studentenperspectief benaderd, naar aanleiding van de oorlog.
De vele pogingen tot drankbestrijding onder studenten waren dus ook voor het einde van de Grote Oorlog actief. Deze kwamen voort uit de veronderstelling onderdeel te zijn van een nieuwe tijdsgeest, naar aanleiding van de liberale ‘beschavingsmissie’, progressief-anarchistische ideologieën en soms zelfs door de Eerste Wereldoorlog.
2. ‘In de hoop dat het veel vruchten zal voortbrengen’: De ‘nieuwe tijd’ en de RKDI
Was studentendrankbestrijding dus überhaupt wel een onderdeel van de naoorlogse ‘ommekeer in het studentenleven’, of was het een voortzetting van (lang)bestaande praktijken? De RKDI was zelf van mening dat wat zij deden in het teken stond van een ‘nieuwe tijd’. Dit had te maken met het idee deel uit te maken van een beweging die zowel katholiek als internationaal van aard was.
2.1 Emancipatie van de katholieke zuil
De behoefte aan een katholieke drankbestrijdingsbeweging onder studenten wordt begrijpelijker tegen de achtergrond van de verzuiling. De liberale grondwet van 1848 had op papier een einde gemaakt aan de ongelijkheid op basis van geloof, maar in de praktijk was de emancipatie van katholieken nog verre van voltooid. Katholieken waren onder academici ondervertegenwoordigd, tot zorgen van de katholieke zuil.[25] Sterker nog, het feit dat katholieken pas in de late negentiende eeuw noemenswaardig onderdeel werden van de academische wereld, betekende dat ze zich praktisch noodgedwongen afzonderlijk moesten organiseren van de reeds bestaande (overwegend vrijzinnige) studentenorganisaties.[26] Maar in de jaren twintig was de geest uit de fles. De Pacificatie van 1917 stelde het bijzonder (en dus ook het katholieke) onderwijs gelijk aan het openbare onderwijs voor overheidssubsidie. Verder boekten de katholieken goede resultaten in de verkiezingen en was de oprichting van de Katholieke Universiteit Nijmegen een hoogtepunt voor het katholiek onderwijs in Nederland.
Vooral op sociaal-cultureel gebied hadden de katholieken een achterstand in te halen: ze moesten zich in Nederland – een natie die in het collectief geheugen immers uit een opstand tégen het katholicisme was geboren – bewijzen als goede vaderlanders, goede burgers en goede christenen.[27] Het moest daarom vooral niet onder stoelen of banken worden gestoken dat het juist de katholieken waren die de strijd tegen de drank voerden. In de statuten van de RKDI wordt het primaire middel om drankbestrijding te bevorderen dan ook gewijd aan ‘het voorbeeld en den zedelijken en verstandelijken invloed harer leden.’[28] Het sentiment komt verder boven water als er discussie is over de titel van een artikel over studentendrankbestrijding door de Delftse afdeling van de RKDI. Gerard Brom schrijft geruststellend: ‘Te roomsch is je naam niet’.
Toch domineren de principiële argumenten voor katholieke studentendrankbestrijding in hun brieven en publicaties. Het spreekt voor zich dat de RKDI katholiek van aard was, wat ook meermaals naar voren komt in deze organisatie haar argumentatie. De uitnodiging aan katholieke studentendrankbestrijders voor de bijeenkomst waar de RKDI opgericht werd sprak van christelijk ‘gezonde liefdewerk’ en nadrukkelijk van het katholiek ‘uitoefenen Uwer apostolische plichten.’ Volgens de (ontwerpen van) de statuten waren ‘de middelen van den R.K. godsdienst’ onder andere zelfbeheersing en naastenliefde. Deze nadruk op religieuze motieven lijkt vanzelfsprekend, maar is opvallend in vergelijking met (die van) andere christelijke drankbestrijders, zoals Van Rees en de links-protestantse Interacademiale Geheelonthouders Bond (IGOB). Zij leggen die nadruk namelijk veel minder sterk.
In de praktijk was het katholieke geloof vooral het middel, terwijl drankbestrijding het doel was. De RKDI verschilde hierin van bijvoorbeeld de NSGOV, die aan Sobriëtas naar aanleiding van de oprichting in 1913 schreef:
‘Hoewel het hoofddoel onzer vereeniging is de geheelonthouding onder studenten te bevorderen, hoopen wij ook bij voorkomende gelegenheden met uwe vereniging aangenaam te kunnen samenwerken ter bereiking van ons gemeenschappelijk doel: een drankvrij Nederland.’[29]
Een ‘drankvrij Nederland’ ambieerde de RKDI niet – in ieder geval niet op korte termijn. Juist de ‘eigen kringen’ waren de doelgroep. De statuten van de RKDI waren daar erg duidelijk over: ‘Het doel der Club is de bevordering der R.K. Drankbestrijding.’
Toch was de RKDI lang niet de meest spirituele van aard. Dit komt duidelijk naar voren in de correspondentie met Heemvaart, een katholieke studentenbeweging met drankbestrijding als pijler. Toch werd benadrukt dat Heemvaart een afzonderlijke beweging was, ‘al is ze ons zeer sympathiek’. Een commissie, ingesteld door Sobriëtas om te onderzoeken hoe de RKDI lokaal het best kon fungeren, noemt als allereerste conclusie zelfs resoluut dat de lokale afdelingen zich buiten Heemvaart behoren te organiseren en afzonderlijk dienden te werken. Sobriëtas verwachtte namelijk ‘dat de naam Heemvaart voor zeer velen afschrikkende associaties levert’. Een begrijpelijk sentiment, want Heemvaart stond bekend om hun radicaal katholicisme en hyperdevotie.[30] Te nauwe contacten met Heemvaart konden de katholieke emancipatie belemmeren.
Ook het argument te willen investeren in de toekomst was belangrijk gezien de achtergrond van de katholieke emancipatie. Studenten vormden de toekomstige katholieke intelligentsia met een interne en externe symbolische waarde voor de hele zuil. Zo schrijft De Kruisbanier in 1928: ‘Den student, die zich nota bene geroepen acht, eenmaal een leider van het volk te zijn, maar in afwachting daarvan alvast begint met aan datzelfde volk een zeer slecht voorbeeld te geven!’ [31]Sobriëtas had dit door en investeerde, ondanks de soms karige beschikbare middelen, veel geld in de RKDI. Bij het overmaken van 75 gulden in 1927 (tegenover de jaarlijkse subsidie van soms slechts 17 gulden), onderstreepte de moederorganisatie ‘het belang dat sobriëtas heeft bij den steun uit den kring der studenten […] in de hoop dat het geld voor deze propaganda besteed, veel vruchten zal voortbrengen.’[32]
2.2 Het internationale netwerk en de ‘nieuwe tijd’
Waar de studentendrankbestrijding van de late negentiende eeuw vooral in het teken stond van een beschavingsmissie met een vleugje nationaal bewustzijn, was de RKDI vanaf haar begin vooral internationaal georiënteerd. De aard van de academische wereld bood immers een goede mogelijkheid voor het opbouwen van netwerken, het uitwisselen van kennis en het beïnvloeden van ideeën. De internationale interesse kwam gedeeltelijk door de katholieke identiteit van de beweging, die zich moeilijker met de protestantse natie kon verenigen en niet alleen aan de koning, maar ook aan de Heilige Vader in Rome verantwoording diende af te leggen. Internationalisme paste dan ook beter bij de katholieke beweging.
Het belang van dit netwerk zien we terug in de internationale invloeden op de RKDI. Op de Interakademiale Vergadering van Roomsche Studentendrankbestrijding van 1921, de bijeenkomst waar de RKDI werd opgericht, stond ‘mededeelingen over Studenten Drankbestrijding in andere landen’ als één van de zeven punten op de agenda. De inspiratie kwam vooral vanuit Duitsland, waar de Hochland-beweging al sinds 1907 actief was. Sobriëtas volgde de beweging met interesse en een ‘nadere kennismaking’ werd als ‘zeer leerzaam’ geacht, nadrukkelijk voor de studenten in eigen kring. ‘Vooral de Nederlandsche Roomsche studenten-drankbestrijders, van wie wij tot heden niets mochten hooren,’ zuchtte het jaarboek van Sobriëtas in 1920, ‘zouden met vrucht hun ideeën en opvattingen kunnen vergelijken met die van hun Duitsche collega’s.’[33] Hoewel Sobriëtas haar inspiratie ook graag internationaal zocht, was het de academische infrastructuur die uitwisseling mogelijk maakte.
Om de invloed van de ‘omkeer’ te kunnen peilen, is het waardevol om stil te staan bij deze internationale invloed. De oprichter van de Hochland-beweging, Anton Klövehorn, interpreteerde de Eerste Wereldoorlog als opmars naar een moraal van de nieuwe tijd. Mede hierdoor kreeg de drankbestrijding na de Eerste Wereldoorlog wereldwijd de wind in de zeilen. Droogleggingen in de Verenigde Staten, Canada, Finland, IJsland en België en wereldwijde anti-alcoholmaatregelen waren een direct gevolg van de Eerste Wereldoorlog. Dat kwam enerzijds door de schaarste in grondstoffen, waardoor drank duurder werd en daarmee voor velen ook een luxeproduct; consumenten werden door de hogere prijzen afgeschrikt. Anderzijds waren deze droogleggingen het gevolg van de naoorlogse toekomstvisie. ‘De nieuwe tijd verwacht een sterk geslacht, sterk in lichamelijke, zedelijke en geestelijke kracht’, aldus de Hochland-beweging geciteerd in het jaarboek van Sobriëtas.[34] Maar ook het Roomsch Studentenblad uit 1920 – dus voor de oprichting van de Interakademiale – noemt de inspiratie van Hochland: in Duitsland was bewezen dat studentendrankbestrijding kon.[35] Het is dan ook in deze trend dat in 1920 de World Student Federation Against Alcoholism wordt opgericht met organisaties uit twaalf landen waaronder de Verenigde Staten, België en Duitsland. Uit het Sobriëtas-archief blijkt dat ook de RKDI deel uitmaakte van deze federatie. Klövehorn zou die nieuwe tijd nooit meemaken: hij sneuvelde in 1918.
Ook de internationale successen van de eerste feministische golf hadden hun invloed op de studentendrankbestrijding. De rol van de vrouw komt slechts één keer zijdelings ter sprake in het archief van de RKDI. Gerard Brom schreef over de publicatie van een pamflet bijna suggestief: ‘Je denkt toch vooral aan plaatsing op kostscholen, ook van meisjes?’[36] In Bonn en Münster waren al vrouwenafdelingen van de Hochland-beweging opgericht: de Hochländerinnen. Ook in Nederland was deze ontwikkeling merkbaar. De beoogde rol van ‘de vrouw’ – nadrukkelijk die van de katholieke vrouw – in de studentendrankbestrijding wordt verder duidelijk in contemporaine publicaties van De Kruisbanier. Dit was het maandblad voor de rooms-katholieke drankbestrijding. Over de ‘meisjes-studenten’ stond er in het blad te lezen ‘of zij niet in staat zullen zijn, dergelijke misstanden in de studentenwereld te helpen uitroeien’. De verwijzing naar het feminisme is niet bepaald subtiel, maar bovenal weinig aanmoedigend:
Ge zult dan ook niet meedoen met haar, die schreeuwen om gelijke rechten met den man, maar die tegelijkertijd het hoogste, wat ieder rechtgeaard man in haar dient te eerbiedigen, moedwillig prijsgeven. […] Wij helpen onze meisjes met een vurig gebed, opdat deze mogen ervaren, dat waar de zwakke vrouw, die sterk staat in hare Onthouding, met hem in het krijt wil treden, hij terug moet trekken, wijl Gods kracht in hare zwakheid zich zal toonen.[37]
Onthouding van drank was volgens de auteur niet alleen onderdeel van de voorbeeldfunctie naar de omgeving van de studente, maar ook als manier te bewijzen dat de vrouw daadwerkelijk gelijk kon staan aan een man. Geheelonthouding was de katholieke ‘test’ voor de moderne feminist. Of de auteur zelf een sympathisant was van het feminisme, valt echter te betwijfelen.
2.3 De RK Drankweer Interakademiale
In totaal telde de Interakademiale bij haar oprichting 66 leden. Heel eensgezind waren deze leden echter niet. In vergelijking met andere organisaties was dit best een fatsoenlijk aantal.[38] Er waren ook niet-katholieke studentendrankbestrijdingsclubs en studentenorganisaties die drankweer in hun levensopvatting hadden, net als individuele studenten die zich tegen drank keerden. Van de ruim 1100 katholieke studenten in 1921 waren slechts 93 lid van een katholieke studentenvereniging.[39]
Heel eensgezind waren de leden van Interakademiale niet. Zo was er een duidelijk onderscheid tussen afschaffers en geheelonthouders. Geheelonthouders waren resoluut; zij dronken persoonlijk ook niet. Afschaffers waren daarentegen een stuk maatschappelijker georiënteerd: zij pleitten voor de algehele afschaffing van alcoholische dranken, maar dronken zelf geen sterke drank en beloofden ‘bi[j]zonder matig te zijn in het gebruik van andere alcoholhoudende dranken’.[40] Bij de RKDI werd dit onderscheid nauwkeurig bijgehouden. Dit had enkele redenen: enerzijds gaf het inzicht in de richting die de beweging aan diende te houden om levensvatbaar te blijven. Anderzijds konden commissies zo samengesteld worden dat beide stromingen evenredig vertegenwoordigd waren. Dit lijkt misschien triviaal, maar drankbestrijdingsbewegingen hadden moeite met het vormen van een front. Deze verdeeldheid, die kenmerkend was voor zowel de drankbestrijdingsbeweging als voor de verzuiling, had zijn reflectie in de studentenorganisaties.
Verdeeldheid is een kernbegrip in de drankbestrijdingsbeweging. Dit onderscheid tussen gematigden, afschaffers, geheelonthouders en andere groeperingen werd namelijk ook in andere organisatie uiterst serieus genomen. Zoals te zien in afbeelding 4, had bij haar oprichting de Interakademiale 37 afschaffers en 29 geheelonthouders in haar gelederen. Het totaal aantal leden van de RKDI werd niet eens genoteerd. Deze vroeg aanwezige verdeeldheid zou later bijdragen aan de kwetsbaarheid van de RKDI.
Verder was er onduidelijkheid over waar de RKDI precies onder viel. Formeel was het een sectie van Sobriëtas, maar ook een afdeling van de Unie van R.K. Studentenvereenigingen in Nederland. Deze laatste gaf aan de ontwerpstatuten van de RKDI niet te aanvaarden, omdat zij in haar ogen niet (voldoende) naar de Unie verwezen, maar juist wel naar Sobriëtas. Sobriëtas nam eveneens stelling: ‘u legt de nadruk op studenten, ik leg hem op drankbestrijders.’ Verzoenend liet de Unie weten dat ze zich niet wenste te verwikkelen in ‘juridische vitterijen’, maar de studenten ‘met een warme bezieling naar huis’ wilde laten gaan.[42] De statuten konden wel even wachten. Uiteindelijk werd besloten dat de RKDI een afdeling van zowel de R.K. Studenten Unie als een sectie van Sobriëtas zou worden. Wat dit in de praktijk betekende, werd verder niet in de correspondentie besproken. Bovendien fungeerde elke lokale afdeling van de Interakademiale weer als een onderafdeling van een katholieke studentenorganisatie uit de universiteitsstad. Zo viel Delft onder Sanctus Virgilius, Rotterdam onder Sanctus Laurentius, Utrecht onder Veritas en Wageningen onder St. Franciscus Xaverius. Lokale RKDI-besturen waren daarmee verantwoording schuldig aan Sobriëtas, de Unie en lokale studentenverenigingen. Bijeenkomsten van de RKDI waren dan ook voor – in eigen woorden – ‘alle roomsche studenten zonder eenige beperking’. Een opmerkelijke beschrijving voor een vrij specifieke doelgroep.
De geografische verdeeldheid was zowel een zegen als een vloek. Hoewel verschillende belanghebbenden dus door elkaar heen opereerden, konden de verschillende afdelingen zich relatief makkelijk verenigen. De drankbestrijdingsbeweging had juist enorme moeite met het verenigen van hun beweging op nationaal niveau, deels vanwege de praktisch onmogelijke logistiek. Vrijwel iedere plaats in Nederland kende wel een drankbestrijdingsorganisatie en het was bijna onmogelijk om ze allemaal te bereiken. Dat was bij studenten anders: Nederland kende in 1921 immers slechts een handvol universiteitssteden: Amsterdam, Leiden, Rotterdam, Utrecht, Delft en Groningen. De knooppunten van het netwerk waren voor de studententak van Sobriëtas dus een stuk centraler. Het netwerksentiment onder de RKDI-afdelingen was dan ook relatief sterk. Vanuit Groningen schreef een student naar Sobriëtas bijvoorbeeld over hun nieuwe brochure: ‘Verspreiding buiten eenig clubverband om zou doelloos zijn. We zullen niet rusten voor we in iedere plaats een groep hebben.’[43] Na hun studie verspreidden academici zich over het hele land, waardoor studentensteden fungeerden als olievlek voor het drankbestrijdersevangelie.
De RKDI was een schakel tussen de R.K. Studenten Unie en Sobriëtas. De overtuiging dat er in de jeugd geïnvesteerd moest worden, betekende ook dat middels de RKDI nóg jongere doelgroepen dienden te worden bereikt. Door middel van hun brochures en bijeenkomsten werden nadrukkelijk ook ‘abituriënten’ bereikt: jongeren die hun schoolexamen hadden behaald, maar nog niet formeel student waren. De RKDI zag de voordelen ‘om al vóór hun intocht in het studentenleven in contact te komen met Roomsche studentenideën’, aldus de uitnodiging voor de jaarlijkse zomerbijeenkomst van 1922.
Bij het bereiken van deze doelgroep was de verzuiling niet altijd reden tot verdeeldheid. Zo werd met de protestantse IGOB samengewerkt.[44] Bij het begin van het academisch jaar in september 1921 produceerden de RKDI en de IGOB namelijk samen een ‘novietenbrochure’. Een gezamenlijk protestantse en katholieke propaganda was in een tijd van verzuiling vrijwel ongekend.
Ook over de communicatiemiddelen waarmee dit jonge publiek werd bereikt, werd goed nagedacht. Bijeenkomsten, zoals de jaarlijkse conferenties, waren nadrukkelijk opgezet voor sociale interactie die het jonge publiek moest aanspreken. Diners en dans gingen meestal gepaard met een inhoudelijk programma. Zelfs aande ‘Easthetische verzorging’ van hun brochures werdaandacht besteed. Zo werd moederorganisatie Sobriëtas aangemaand: ‘het moet ’n billike, maar ’n zeer frisse en smaakvolle uitgaaf worden.’[45] Deze jonge, unieke doelgroep stelde de creativiteit van Sobriëtas flink op de proef.
3. ‘’t Doet ’t Roomsche hart pijn’: Ondergang en erfenis van de RKDI
Het bestaan van de RKDI was vergeleken bij andere drankbestrijdingsorganisaties onder studenten relatief lang, maar alsnog (slechts) van beperkte duur. In 1928 schreef de secretaris aan Sobriëtas: ‘ons leven was in hoofdzaak een poging om te “blijven leven”’. De RKDI telde op dat moment ) namelijk nog maar 32 leden. Er was recent nog wel een vergadering in Leiden geweest, maar deze moest gezien worden als ‘een uiterlijk teeken van nog-bestaand leven, geenszins een aanwijzing van innerlijke kracht.’ Een brief uit december 1930, voorafgaand aan een opvallende correspondentiestilte, meldde dat ‘mogelijkheden tot opbloei’ verkend werden, maar dat ‘aktieplannen mislukken’. De RKDI lijkt dan ook een stille dood te zijn gestorven, want de jaren daarop vond er geen noemenswaardige briefwisseling meer plaats. Een brief uit 1932 bevestigt dit vermoeden:
Feitelijk bestaat de interakademiale d[rank]w[eer] dus nog wel, doch zij heeft geen bestuur en het zal naar mijn meening ook zeer moeilijk zijn er een te vinden, gezien de geringe levensvatbaarheid die de organisatie thans ten overvloede bleek te bezitten.[46]
De RKDI was niet meer, maar wat veroorzaakte die ondergang en welke invloed had dit op de bredere beweging?
3.1 De ondergang van de Interakademiale
De ondergang van de RKDI had verschillende oorzaken. Ten eerste was de levensvatbaarheid van de Interakademiale tijdens haar bestaan al fragiel. Jeugdige slordigheid en de druk van het studentenleven waren onvermijdelijk voor deze doelgroep, iets wat al door Brom werd gezien bij de eerdere studentendrankbestrijdingsbewegingen. In zijn boek schrijft hij over de eerdergenoemde, enkele jaren zeer succesvolle, Ned. Studentengeheelonthouders Vereniging: ‘maar dezen bleken nog moeili[j]ker te bereiken dan andere groepen onder de studenten’.[47] Ook de RKDI was hieraan onderuitgegaan en het Sobriëtas-jaarboek van 1927 zuchtte dan ook: ‘Nochtans – de ervaringen bewezen ’t reeds – ’t kontakt te krijgen met deze jeugdgroep is niet gemakkelijk’, vanwege ‘eigenaardige uiterlike omstandigheden waarin de jongere verkeert’ en ‘eigenaardige bezwaren en strevingen’.[48]
Het eerste probleem betrof vooral logistieke uitdagingen. Examendrukte en militaire dienst zorgden namelijk regelmatig voor een aanzienlijke vertraging in correspondentie en organisatie. Een deel van deze slordigheid was de slechte overdracht van verantwoordelijkheden. Inherent aan het studentenleven is immers het afstuderen en de bijkomende doorloop in besturen en leden. Eind 1924 kwam C. Hesseling aan het roer van de Interakademiale, maar hij schreef verontschuldigend naar Sobriëtas: ‘ik zou mij reeds graag geheel ingewerkt hebben’. Tevergeefs: niet alleen moest Hesseling in militaire dienst, ook zijn voorganger was ‘zoo volhandig dat ik nog geen archief of inlichtingen omtrent de stand van zaken of iets dergelijks heb ontvangen’. Sobriëtas klaagde dan ook meerdere malen ‘dat vorige jaren niet aan ons verlangen werd voldaan’, wijzend op de gebrekkige communicatie over de voortgang van de Interakademiale.[49]
De ‘bezwaren en strevingen’, ten tweede, hadden vooral te maken met de mentaliteit van de student: het hoofd stond zowel het teken van intellectuele ambitie als van vertier. De vorming tot ‘katholiek’ was nog niet voltooid en werd dan ook als eerste vereiste gezien, wilde men het belang van de drankbestrijding doordringen tot de student.
Waarschijnlijk speelde ook het terugtrekken en overlijden van Sobriëtas-leider dr. Alfons Ariëns in 1928 een rol. Ariëns was immers dé drijvende kracht achter Sobriëtas en katholieke drankbestrijding in het algemeen. In de correspondentie tussen de RKDI en Sobriëtas wordt Ariëns regelmatig genoemd als inspiratiebron of als adviseur. Bovendien valt zijn moment van overlijden opvallend overeen met de ondergang van de RKDI.
Tot slot vormden beperkte financiën een voortdurende belemmering van de RKDI. Sobriëtas werd deels vanuit de staat gesubsidieerd en verdeelde het geld weer onder haarafdelingen. De Delftse afdeling startte in 1923 met een schuld van 75 gulden, op een jaarlijkse bijdrage van 100 gulden vanuit Sobriëtas. In 1924 kon Sobriëtas slechts zeventien gulden overmaken vanwege ‘besnoeide’ overheidssubsidie en in 1925 verdween deze bijdrage zelfs volledig. Het bestuur liet weten dat zij hoopten die snel weer te kunnen vermeerderen, ‘want geld is nu eenmaal nodig’. Ook de secretaris van de RKDI beweert dat de organisatie ‘onder eenige reeds lang loopende voorschotten “gebukt” gaat en uitstel steeds moeilijker wordt’. Het is goed mogelijk dat de economische crisis van 1929 een doorslaggevende oorzaak was voor het definitieve einde van de financieel instabiele RKDI. Volgens Sobriëtas was dat in ieder geval wel het geval. Het jaarboek van 1938 beweert daarbij over studenten: ‘Veel moge er in deze tijden van efficiency en onder economischen depressie door zakelijkheid veranderd zijn’.[51] Toen de directie van Sobriëtas in 1932 het bericht kreeg dat de RKDI was opgeheven, liet deze weten dat ‘tijdsomstandigheden’ het misschien nog eens mogelijk zouden maken om de RKDI weer op te richten.
3.2 De teleurstelling
Van een wederopleving zou het nooit komen. De ondergang van de RKDI, een organisatie met potentie die op een aantal kleine successen na niet benut was, was een grote teleurstelling voor Sobriëtas. Waar in de jaren twintig studenten nog regelmatig onderwerp van gesprek of schrijven waren, komen ze in de jaren dertig amper meer voor. Het belang bij de doelgroep werd nog steeds erkend, maar de praktijk had anders geleerd: werken met studenten bleek te moeizaam.
Ook De Kruisbanier hield zich in 1931 plots schaars en bovenal negatief uit over studenten:
Juist nu weer een beroep wordt gedaan op onze milddadigheid inzake de voltooiing onzer eigen Universiteit, de Nijmeegsche Hoogeschool, die ons straks onze offervaardigheid met hooge winst belooft te vergoeden in den vorm van daar geschoolde Leiders-voor-ons-Katholieke-Volk, komt “Sobriëtas” ons herinneren aan de misgedragingen van Studenten. Studenten van Leiden en Amsterdam weliswaar, maar toch, ook in Nijmegen blijkt niet iedere student zich te gedragen, zooals dat met recht door ons volk van zijn toekomstige Voorgangers verwacht mag worden. […] ’t Doet ’t Roomsche hart pijn, zooiets te moeten constateeren.[52]
Ook hier voert het katholieke verlangen naar een voorbeeldfunctie ten behoeve van de eigen emancipatie de boventoon. Een voorbeeldfunctie die studenten naar verluidt maar niet eigen wisten te maken. Wel eindigt De Kruisbanier met de wens ‘om de reeds ten doode opgeschreven “interacademiale” zoo spoedig mogelijk weer tot vernieuwd leven te wekken!’ In de loop van de jaren dertig zou Sobriëtas – en in de praktijk de gehele katholieke beweging – daar echter vanaf zien. Een verzoek om vanuit de Interakademiale een Nijmeegse ‘club ter verspreiding van de matigheidsgedachte in ’t leven te roepen’, met de statuten van de RKDI als basis, wordt dan ook niet noemenswaardig in behandeling genomen.[54]
Conclusie
‘Er bestonden zowel voor als na de Eerste Wereldoorlog actieve studentendrankbestrijdingsbewegingen die veel met elkaar gemeen hadden, zowel in omvang als in organisatie. Ook waren deze bewegingen meer top-down dan de term ‘studentendrankbestrijding’ suggereert: hoogleraren als Van Rees en Brom waren belangrijke aanjagers in het mobiliseren van de studentenachterban.
Dit onderzoek roept de vraag op in hoeverre er sprake is van een nieuwe wereldvisie onder studenten na de Eerste Wereldoorlog. Zelfs de RKDI, die beweerde onderdeel te zijn van een nieuw geluid in de studentencultuur, blijkt eigenlijk vooral een product te zijn van andere ontwikkelingen die al ver voor de Eerste Wereldoorlog waren begonnen. Omdat P. Caljé, auteur van het artikel over de ‘omkeer’ in het studentenleven rond 1920, weinig aandacht besteed aan de studentencultuur van vóór (het einde van) de Eerste Wereldoorlog, is het moeilijk vast te stellen wat er na 1919 nou daadwerkelijk nieuw was in de wereldvisie van studenten. De ‘omkeer’ waar Brom in 1922 naar verwijst, diende waarschijnlijk meer om de studenten aan te spreken dan om een historische omwenteling te markeren.
Toch had de RKDI enkele essentiële verschillen ten opzichte van vooroorlogse studentendrankbestrijders. De beweging was katholiek en internationaal georiënteerd. De RKDI was in de veronderstelling onderdeel te zijn van een nieuwe beweging onder studenten, maar vond dit meer in de (internationale) emancipatie van katholieken in protestants Noord-Europa. Dit was een gevolg daarvan, aangezien de emancipatie de katholieke aanwezigheid in het studentenleven vermeerderde, maar ook een oorzaak: de plicht van de katholieke student in deze emancipatie werd immers steeds belangrijker.
De katholieken waren echter nog relatief recent tot het studentenleven toegetreden en identificeerden zich primair als katholiek, ten koste van het aannemen van een bredere studentenidentiteit. De RKDI moet dan ook meer gezien worden als een gevolg van de democratisering en de katholieke emancipatie dan als uitdrukking van een nieuwe wereldvisie onder studenten. Dat ze de Eerste Wereldoorlog als aanleiding delen, betekent niet dat ze twee aspecten van dezelfde beweging zijn.
Ook voor drankbestrijding levert dit onderzoek nieuwe inzichten op. De argumentatie voor drankbestrijding verschuift van de laatnegentiende-eeuwse ‘beschavingsmissie’ naar de emancipatie van de katholieken. In deze emancipatie toont de katholieke drankbestrijdingsbeweging zich primair praktisch van aard: hoewel ze de studenten wel zouden willen bereiken, lijken ze het na het uiteenvallen van de RKDI niet meer te proberen, omdat het simpelweg niet was gelukt. De middelen van Sobriëtas waren schaars en studentendrankbestrijding was een investering waarvan de resultaten onzeker waren.
Tot slot leren we meer over verzuiling. Actieve drankbestrijding was voor de katholieke zuil munitie in zijn emancipatie: de katholieken gebruikten drankbestrijding om zich te bewijzen aan de rest van Nederland: als Nederlander, als burger en als christen. We zien ook hoe de RKDI een belangrijke schakel vormde tussen verschillende organisaties. Het ‘nationaal besef’, één van de belangrijke pijlers volgens Caljé, zien we twee keer vormkrijgen in de vorm van zuiloverstijgende samenwerking: tussen Ariëns en Van Rees in 1915 en tussen de IGOB en de RKDI in 1921. Daaruit blijkt ook dat de omkeer in het studentenleven na de Eerste Wereldoorlog niet zozeer één beweging is, maar dat de verschillende zuilen een eigen ontwikkeling ondergaan.
Ondanks haar korte bestaan onderstreept de RKDI het belang van verder onderzoek naar studentencultuur, drankbestrijding en verzuiling. Vergelijkende studies naar andere studentenorganisaties –zoals Heemvaart of niet-katholieke zuilen – kunnen inzicht geven in verschillen in emancipatie en hervormingsidealen, terwijl ook bredere thema’s als kolonialisme, politiek extremisme en democratisering relevante onderzoeksterreinen vormen. Daarnaast bieden het zelfbeeld en de identiteit van studenten veel aanknopingspunten voor onderwijshistorisch onderzoek. Ten slotte verdienen zowel eerdere perioden, zoals de opkomst van drankbestrijding in de late negentiende eeuw, als latere ontwikkelingen aandacht. Voor de hand liggende suggesties zijn de democratiseringsbeweging van de jaren zestig en recentere initiatieven om alcoholgebruik te beperken.[55] ‘Keurige wereldbestormers’ met een sterke wereldvisie en een kritisch zelfbeeld, dus.
Bibliografie
[1] Roomsch studentenblad; orgaan van de Unie van R.K. Studenten Vereenigingen in Nederland, jaargang 9-19, 8 maart 1919.
[2] Centraal Bureau voor de Statistiek, Ruim een kwart studenten aan universiteit is zware drinker: Https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/42/ruim-een-kwart-studenten-aan-universiteit-is-zware-drinker?, geraadpleegd op 22 december 2025.
[3] P. Caljé, ‘'De omkeer in 't studentenleven': De pogingen tot hervorming van het studentenleven rond 1920’, Groniek Historisch Tijdschrift 118 (1992), 75-94: 75.
[4] G. Brom, De Omkeer in ’t Studentenleven (Delft 1923).
[5] M. Dwarswaard, ‘Drankbestrijding in Holland’, Proost! Drank in Holland. Tijdschrift Holland 55-4 (2023): 174-179.
[6] Katholiek Documentatiecentrum, Archief Rooms-Katholieke Matigheidsbeweging Sobriëtas, inventarisnummers SOBR-372; SOBR-1231; SOBR-1309; SOBR-4273. Hierna ‘KDC’.
[7] J. van Rees, Waarom Geheel-onthouders ook in de Studenten-wereld (Amsterdam 1896) 2. Gearchiveerd door het IISG, inv. nr. Bro N 1069 98.
[8] Brom, De omkeer in ’t studentenleven, 120.
[9] De telegraaf, 10 september 1921.
[10] Statistieken gepubliceerd in Limburgsch Dagblad, 29 oktober 1921.
[11] KDC, 4273.
[12] J. van Rees, Een nieuwe lente, een nieuw geluid (Amsterdam 1915) 7.
[13] A. Ariëns, ‘Drankbestrijding en karaktervorming’ in: J. van Rees, Een nieuwe lente, een nieuw geluid (Amsterdam 1915) 8-12: 8.
[14] CBS, Leerlingen en studenten; onderwijssoort, vanaf 1900, in te zien op: Https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/37220/table?dl=27DC4, geraadpleegd 3 december 2025.
[15] Er is onder historici nog debat over wanneer de verzuiling precies begon. Omdat in dit artikel de organisatorische scheiding tussen (in dit geval) katholieken en niet-katholieken overduidelijk is, behandel ik de katholieke beweging als ‘zuil’.
[16] Van Rees, Waarom geheel-onthouders, 2.
[17] S.A. Dwars, De jenever bestreden. Philantropische bedenkingen tegen het werkje ‘De jenever verdedigd’ (Amersfoort 1845) 12; O.G. Heldring, De Jenever erger dan de Cholera. Een Volksboek, in voorbeelden en cijfers, voor arm en rijk, oud en jong (Arnhem 1838).
[18] Nieuwe Schiedamsche Courant, 14 mei 1890.
[19] A. Ariëns, De geesel der eeuw en het beste verweermiddel (Maastricht 1909) 3.
[20] Van Rees, Waarom geheel-onthouders, 8.
[21] J. van der Stel, Drinken, drank en dronkenschap. Vijf eeuwen drankbestrijding en alcoholhulpverlening in Nederland (Utrecht 1995).
[22] Van Rees, Waarom geheel-onthouders, 2.
[23] A. van de Venne, ‘De Universitaire Student en het Alcoholisme’ in: A. Ariëns ed., Sobriëtas; orgaan der federatie van R.K. Diocesane bonden tot bevordering der christelijke matigheid en tot bestrijding van het alcoholisme, jaargang 5 (Maastricht 1911) 3-10: 8.
[24] Van Rees, Een nieuwe lente, 7.
[25] Zie: Centraal Bureau voor Statistiek, ‘1930-1971: Werken aan de katholieke emancipatie’. Https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/tijdlijn-125-jaar-kerkelijke-gezindte/1930-1971-werken-aan-de-katholieke-emancipatie, geraadpleegd 3 december 2025.
[26] Caljé, De ommekeer in ’t studentenleven, 80.
[27] Zie bijvoorbeeld: H. te Velde en H. Verhage ed., De Eenheid & de delen: zuilvorming, onderwijs en natievorming in Nederland 1850-1900 (Amsterdam 1996); E. Sengers, ‘Al zijn wij katholiek, wij zijn Nederlanders’. Opkomst en verval van de katholieke kerk in Nederland sinds 1795 vanuit rational choice perspectief (Amersfoort 2003).
[28] KDC, 4273.
[29] KDC, Archief Rooms-Katholieke Matigheidsbeweging Sobriëtas 1875-2002, inv. nr. SOBR-152.
[30] In: A. de Vrankrijker, Vier Eeuwen Nederlandsch Studentenleven (Voorburg 1939) 358, wordt Heemvaart als ‘consequent en radicaal Katholicisme’ beschreven. In een lange brief aan Sobriëtas schrijft een Heemvaart-aanhanger vol spirituele en traditionele overtuiging, met bewoordingen als ‘een hevig en overal tevoorschijn komend verlangen weer te mogen leven in een Genade Cultuur als in de middeleeuwen’ en ‘de wil om met Gods genade zoo goed mogelijk een “alter Christus” te zijn’. Deze hyperdevotie paste geenszins bij Sobriëtas: Heemvaart leek enkele eigenschappen van een cultus te hebben.
[31] Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. De Kruisbanier: maandblad voor R.K. drankbestrijding, jaargang 33-11, maart 1928. Signatuur: SHC T 0512.
[32] KDC, 4273.
[33] A. Ariens, A Rijken en P. Marius Lamers ed., Sobriëtas: orgaan der federatie van R.K. Diocesane bonden ter bevordering der Christelijke matigheid en tot bestrijding van het alcoholisme – jaargang 14 (’s Hertogenbosch 1920) 32.
[34] Ariens, Sobriëtas, jaargang 14, 34.
[35] Hochland wordt onder andere naar verwezen in: Roomsch Studentenblad; orgaan van de Unie van R.K. Studenten Vereenigingen in Nederland, jaargang 11.1 (1920).
[36] KDC, 4273.
[37] Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. De Kruisbanier: maandblad voor R.K. drankbestrijding, jaargang 33-11, maart 1928. Signatuur: SHC T 0512.
[38] Dat lijkt weinig, maar dit aantal moet in zijn context worden beschouwd. Het Utrechts Studenten Corps verwelkomde toen namelijk jaarlijks een vergelijkbaar aantal nieuwe leden, het Delftsch Studenten Corps was in 1921 teleurgesteld met 115 nieuwe inschrijvingen. Verder had de Katholieke Universiteit Nijmegen bij de oprichting in 1923 slechts 189 studenten en de genoemde Hochland-beweging, die zo van inspiratie was voor Sobriëtas en de RKDI, had op zijn hoogtepunt 123 leden.
[39] Statistieken gepubliceerd in Limburgsch Dagblad, 29 oktober 1921.
[40] KDC, 4273.
[41] KDC, 4273.
[42] KDC, 4273.
[43] KDC, 4273.
[44] Ledenaantal wordt genoemd in: De Blauwe vaan; orgaan voor drankbestrijding, jaargang 20.1 (1922).
[45] KDC, 4273.
[46] KDC, 4273.
[47] KDC, 4273.
[48] M. Molenaar, ‘Sobere jeugd’ in: A. Ariens ed., Sobriëtas: orgaan der federatie van R.K. Diocesane bonden ter bevordering der Christelijke matigheid en tot bestrijding van het alcoholisme – jaargang 21 (Maastricht 1927) 191-195: 192.
[49] KDC, 4273.
[50] KDC, 4273.
[51] J. Zwijenberg, ‘De Academische Ariënskring, Nijmegen’ in: Sobriëtas; orgaan der federatie van R.K. Diocesane bonden tot bevordering der christelijke matigheid en tot bestrijding van het alcoholisme jaargang 32 (1938) 111-112: 111.
[52] KDC, 4273.
[53] De Kruisbanier; maandblad voor R.K. drankbestrijding, jaargang 36.21 (1931).
[54] KDC, 4273.
[55] Zie bijvoorbeeld: Universiteit Leiden, ‘Study associations sign covenant: limity your alcohol consumption and look after each other’. Https://www.student.universiteitleiden.nl/en/news/2023/11/study-associations-sign-covenant-limit-your-alcohol-consumption-and-look-after-each-other, geraadpleegd 1 december 2025.

Afb. 1: (Fragment uit) Het Academische Circus. Spotprent van Carel Christiaan Antony Last uit de studentenalmanak van de Universiteit van Leiden van het jaar 1864. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-89.757.

Afb. 2: ‘Allegorie op het stoken en drinken van jenever’ door Adrianus Martinus de Ruyter (1851 – 1883). Medische en Bijbelse termen als ‘de jeneverpest’ waren veelvoorkomend in het taalgebruik over het drankmisbruik. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-1937-788.

Afb. 3: Groepsfoto van Heemvaart uit 1928. Pollmann-Gall-archief 664/Wikimedia Commons.

Afbeelding 4: Verdeling van de 66 leden van de RKDI bij de oprichting. Grafiek door de auteur.[41]

Afb. 5: Dronken studenten op een feest van de Leidse studentenvereniging Minerva, halverwege de negentiende eeuw. Het grootschalig drankgebruik onder studenten maakte deze doelgroep een prioriteit voor drankbestrijdingsbewegingen. Afbeelding uit 1841, door Alexander Ver Huell. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-OB-88.502.

Afb 6: Feest bij de Leidse studentenvereniging Minerva, waar alcoholische drank in hoge mate vloeit. Afbeelding uit 1832 door Leendert Springer. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer RP-P-1951-223.
