top of page

Gepubliceerd op: 21 september 2026

Marihuana-waanzin’ in Mexico: de pathologisering van de onderklasse als grensmechanisme van de natie, 1876-1911

Robin Roos

Robin C. Roos (2003) is student Geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Binnen de geschiedwetenschap gaat zijn interesse voornamelijk uit naar de middeleeuwen, de geschiedenis van het christendom en cultuurgeschiedenis. Dit artikel over de pathologisering van marihuanagebruik in Porfiriaans Mexico markeert zijn eerste wetenschappelijke publicatie en vond zijn oorsprong in een onderzoek uit zijn eerste bachelorjaar.

 

Coverafbeelding: José Guadalupe Posada, "¡Zun, zun, de la mariguana!"El Periquillo Sarniento, 11.2 (1903).

In november 1893 berichtte La Voz de México over Cesáreo Gonzaga, een havenarbeider die na maanden van marihuanagebruik zijn gezin begon te mishandelen en mensen zag veranderen in dieren.[1] De krant noemde het een ‘bijzonder geval van waanzin’ en de artsen lieten hem uitslapen op de medische afdeling: Gonzaga werd behandeld als patiënt, niet als misdadiger. Dit narratief was geen uitzondering. Dit narratief kreeg gestalte tijdens het Porfiriato (1876-1911), de ruim dertigjarige heerschappij van president Porfirio Díaz waarin het streven naar een moderne, ordelijke natie centraal stond. In deze periode circuleerde de overtuiging dat marihuana – anders dan alcohol, dat als een sociaal ingebedde en beheersbare ondeugd gold – bij de gebruiker onmiddellijk een toestand van onbeheersbare waanzin (locura) veroorzaakte.[2] Marihuana werd daarbij voornamelijk geassocieerd met soldaten, gevangenen en de lagere klassen.[3] Artsen en de sensatiepers construeerden dit als symptoom van de vermeende irrationele en gewelddadige aard van die groepen, terwijl medische theorieën over degeneratie – geïnspireerd door Europese denkers als Bénédict Augustin Morel en Cesare Lombroso – het wetenschappelijke kader leverden waarbinnen dit stigma vorm kreeg en circuleerde.[4]

           Artikel 34 van het Strafwetboek van 1871 erkende ‘waanzin’ als schulduitsluitingsgrond: het debat over wie als toerekenbaar gold, werd daarmee ook een debat over wie als rationeel en dus als volwaardig burger kon worden beschouwd.[5] Hiermee wordt geen formele rechtsuitsluiting bedoeld; de lagere klassen bezaten in theorie dezelfde juridische status als andere Mexicanen.[6] De uitsluiting was van een andere aard: zij werden stelselmatig geconstrueerd als irrationele, gevaarlijke figuren die de rationaliteit voor volwaardig burgerschap misten.[7] Dit bleef niet bij retoriek: rechters straften de lagere klassen in de praktijk systematisch zwaarder en psychiatrische opsluiting werd ingezet als instrument van sociale controle.[8]

           Bestaand historisch onderzoek heeft deze thematiek vanuit twee gescheiden perspectieven benaderd. Elisa Speckman Guerra en Robert Buffington tonen overtuigend aan hoe de Mexicaanse elite de lagere klassen de toegang tot burgerschap ontzegde door hen binnen het medisch-juridische discours te framen als onverbeterlijke, irrationele criminelen. Hun werk verklaart deze uitsluitingslogica echter vanuit algemene criminologische theorieën over degeneratie, terwijl de specifieke rol die drugs – en in het bijzonder marihuana – in dit proces speelde, onderbelicht blijft.[9] Isaac Campos plaatst marihuana als enige centraal, maar richt zich primair op de ontstaansgeschiedenis van drugsbeleid, niet op burgerschapsdefiniëring.[10] Yussel Arellano Navarrete reconstrueert het conflict tussen artsen en juristen over toerekeningsvatbaarheid, maar beperkt zich tot het theoretische debat en laat de bredere uitsluitingslogica buiten beschouwing.[11] Een synthese die verklaart hoe het betwiste discours over ‘marihuana-waanzin’ de grenzen van burgerschap mede construeerde ontbreekt. Marihuana vormt in dit artikel dan ook geen onderwerp op zichzelf, maar een analytische lens waardoor de normatieve grenzen van ‘Porfiriaans burgerschap’ zichtbaar worden.[12]

           Dit artikel betoogt dat het medisch-juridische discours rondom ‘marihuana-waanzin’ niet slechts een weerspiegeling was van bestaande vooroordelen, maar een actief mechanisme waarmee de grenzen van modern Mexicaans burgerschap mede werden geconstrueerd en bewaakt. Om dit aan te tonen wordt eerst de degeneratietheorie als ideologisch kader uiteengezet, vervolgens de wetenschappelijke en journalistieke constructie van het marihuana-discours ontleed, en ten slotte de juridische vertaling daarvan in wetgeving en rechtspraktijk geanalyseerd.

 

 

Degeneratietheorie en de moderne Mexicaanse burger

 

De verwevenheid van wetenschap en staatsgezag tijdens het Porfiriato is moeilijk te overschatten. Voor Porfirio Díaz gold de actieve bevordering van de wetenschap als een absolute voorwaarde om Mexico te transformeren tot een moderne, ‘beschaafde’ natie. Hij stimuleerde daarom de wetenschap en luisterde actief naar de opvattingen van wetenschappers.[13] De Mexicaanse arts en medisch historica Ana Cecilia Rodríguez de Romo kwalificeert deze wetenschappelijke bloei  treffend door te stellen dat de motivaties achter de Porfiriaanse wetenschap ‘meer sociaal en politiek dan daadwerkelijk wetenschappelijk’ waren.[14] De staat investeerde in geneeskunde niet primair omwille van kennisproductie, maar als instrument voor bevolkingscontrole en politieke legitimatie. Dit streven werd mede vormgegeven door de ‘científicos’, een invloedrijke groep intellectuelen en technocraten rondom Díaz die het positivisme – de filosofische stroming die uitsluitend empirische wetenschap als geldige kennisbron erkent – aanwendden om de samenleving op ‘wetenschappelijke’ wijze te ordenen.[15]

           Binnen dit positivistische klimaat verwierven artsen een vooraanstaande positie. Zij wendden het vigerende positivisme aan om zichzelf te positioneren als onmisbare experts in het moderniseringsproces, waarbij zij hun nut ontleenden aan hun rol in het controleren van de bevolking.[16] Het wetenschappelijk legitimatieproces van de geneeskunde impliceerde hiermee een ambitie die de behandelkamer ver oversteeg. Historicus Steban Guevara García spreekt in dit verband van een verschuiving van individuele medische normen naar gemeenschapsbrede wetgeving.[17] De medische discipline streefde expliciet naar invloed op de wetgevende macht; waartoe de staat, gedreven door politieke ambitie en opportuniteit, bereidwillig ruimte gaf. De arts fungeerde hierdoor niet langer uitsluitend als genezer, maar tevens als normerende autoriteit wiens invloed zich uitstrekte tot het morele domein. In deze hoedanigheid fungeerde de arts als de beschermer van de erfelijkheid en daarmee, indirect, als de bewaker van de toekomst van de moderne natie.[18]

           Binnen dit denkkader werd de natie, onder invloed van het ‘spencerianisme’, opgevat als een organische entiteit waarbij sociale afwijkingen werden gedefinieerd als kwalen die het gehele maatschappelijke lichaam bedreigden.[19] Medisch onderzoek richtte zich in belangrijke mate op hygiëne, maar werd nadrukkelijk geïnterpreteerd vanuit een moreel perspectief. Geneeskunde en moraalwetgeving waren daarmee in het Porfiriato nauwelijks te onderscheiden. Pas rond 1880 werd waanzin in Mexico een object van wetenschappelijke interesse.[20] Dit wijst erop dat de institutionele en epistemologische opkomst van de psychiatrie in Mexico nauw samenvalt met het Porfiriato. Het theoretische fundament van dit discours werd gevormd door de Europese degeneratietheorie. Tussen 1877 en 1898 ontstond een intellectueel conflict over de ‘wetenschappelijke waarheidsvinding’ tussen vertegenwoordigers van de geneeskunde en het recht over de etiologie van criminaliteit, direct gevoed door de introductie van Europese theorieën.[21] Twee namen waren daarin dominant: Bénédict Augustin Morel en Cesare Lombroso.

           Morel, wiens werk fundamenteel was voor het negentiende-eeuwse begrip van mentale stoornissen, poneerde dat geestesziekten voortkwamen uit erfelijke degeneratie.[22] Cruciaal in dit denken is het onderscheid dat Morel maakt tussen de ‘wilde’ en de ‘gedegenereerde’. Waar een ‘wilde’ volgens Morel nog vatbaar is voor verandering en zijn nakomelingen via beschaving uiteindelijk het ‘perfecte [beschaafde] type’ kunnen bereiken, is de ‘gedegenereerde’ onderworpen aan ‘erfelijke invloeden’ die elke structurele verbetering uitsluiten.[23] Morel stelde zelfs dat er minder intellectueel verschil bestaat tussen een wilde en een beschaafde Europeaan, dan tussen diezelfde Europeaan en een gedegenereerd wezen.[24] Het begrip degeneratie werd daarbij breed gedefinieerd: nagenoeg elke afwijking van de sociale norm werd beschouwd als uitdrukking van ongezonde erfelijkheid. Volgens het toenmalige negentiende-eeuwse denkkader beschadigden externe invloeden – waaronder de sociale omgeving en het gebruik van alcohol, marihuana en opium – het individu, waarna deze verworven gebreken genetisch werden overgedragen op het nageslacht.[25] De degeneratietheorie bood zo een alomvattend verklaringskader voor geestesziekten, waarin een scherp onderscheid tussen pathologische krankzinnigheid en lichte gedragsafwijkingen verdween.[26] Precies in deze brede toepasbaarheid school de politieke en sociale aantrekkingskracht van de theorie voor de Porfiriaanse elite. Voortbouwend op Ricardo Campos’ visie dat degeneratie fungeert als een sociale metafoor voor collectieve maatschappelijke kwalen, betoogt Maya González dat dit concept werd ingezet als een veelzijdig ideologisch instrument.[27] Artsen koppelden degeneratie systematisch aan armoede, criminaliteit en de leefomstandigheden van gemarginaliseerde groepen, waaronder ook ‘verwijfde personen’ en allerlei soorten ‘onevenwichtige intellectuelen’.[28] Die koppeling is geenszins toevallig: het gebruik van de degeneratietheorie was, in de woorden die zij ontleent aan socioloog en historicus Sandra Caponi, een bewuste discursieve strategie die artsen in staat stelde om de meest uiteenlopende – doorgaans sociaal of cultureel ongewenste – gedragingen de psychiatrie binnen te trekken en te classificeren als ziekte.[29] Wat in werkelijkheid symptomen van armoede en marginalisatie waren, werd aldus wetenschappelijk gepathologiseerd als een onomkeerbaar biologisch defect.

           Lombroso voegde hier de notie van het ‘atavisme’ aan toe, waarbij criminelen werden voorgesteld als evolutionair teruggevallen naar de woeste instincten van de primitieve mens.[30] Mexicaanse criminologen en artsen namen deze denkbeelden gretig over. Zo beargumenteerde de arts Porfirio Parra in 1895 dat deze ‘gedegenereerde’ criminelen een regressieve evolutiefase in de mens vertegenwoordigden.[31] Deze atavistische en degeneratieve kenmerken werden door de Porfiriaanse elite en wetenschappers niet gezien als een universeel risico voor de mens, maar werden expliciet toegeschreven aan de lagere sociale klassen, die hoofdzakelijk bestonden uit inheemsen en mestiezen.[32] De medicalisering van de samenleving bestendigde hiermee raciale en klassengebonden vooroordelen. Het concept van ‘degeneración de la raza’ veronderstelde dat de bevolking in een staat van verval verkeerde door rassenvermenging of door de vermeend inferieure kenmerken van de inheemse groepen.[33] De prominente criminoloog Miguel Macedo schreef de oorsprong van criminaliteit bijvoorbeeld specifiek toe aan de mestiezen in de steden, in wie volgens hem ‘inheems bloed’ overheerste en die werden gekenmerkt door een diepe apathie en een gebrek aan moreel besef.[34] Criminoloog Julio Guerrero ging hierin nog een stap verder door te beweren dat in de lagere klassen ‘de barbaarse ziel van de aanbidders van [de Azteekse god] Huitzilopoztli’ voortleefde, waarmee hij een directe atavistische verbinding naar een wreed precolumbiaans verleden legde.[35] De lagere klassen werden hierdoor niet slechts als sociaal achtergesteld, maar als historisch en biologisch regressief geconstrueerd.

           Deze framing had directe implicaties voor de definitie van burgerschap. De tegenhanger van de ‘gedegenereerde’ onderklasse was de ‘rationele burger’: iemand die zijn instincten bedwong, wiens wil meester bleef over zijn passies en productief bijdroeg aan de moderniserende natie. Historicus David T. Courtwright illustreert een bredere mondiale mentaliteit die ook door Buffington voor Mexico wordt geschetst: de burger had de plicht om gezond, rationeel en maatschappelijk nuttig te blijven.[36] Door zich over te geven aan ondeugden als alcohol- of marihuanagebruik, en daarmee ‘waanzinnig’ te worden, saboteerde de arbeider zijn eigen lichaam en geest. Hierdoor kon hij zijn nationale plicht om te werken en een rationele, productieve burger te zijn niet meer vervullen, en rechtvaardigde hij, in de ogen van de elite, zijn eigen uitsluiting en onderdrukking.[37]

           De medische norm die door artsen werd geconstrueerd, werd zodoende een burgerlijke norm: wie zijn driften niet beheerste – de dronkaard, de misdadiger, de marihuanagebruiker – verklaarde zichzelf daarmee, in medische termen, buiten de grenzen van het rationele subject.[38] De psychiatrie formuleerde tijdens het Porfiriato precies dit rationele ideaal dan ook als therapeutisch doel. Zoals historicus Frida Gorbach stelt, was de psychiatrische benadering, de zogenaamde ‘morele behandeling’, dan ook geen louter neutrale medische interventie, maar een expliciete machtspraktijk.[39] Het doel was om de instincten en passies, die zich aan de rede hadden onttrokken, met dwang terug te brengen in het domein van het bewustzijn, totdat de patiënt deze weer volledig onderwierp aan de ‘heerschappij van zijn wil’.[40] Gorbach benadrukt dat deze therapeutische taal niet voor niets doordrenkt was van metaforen over oorlog, onderwerping en overwinning; de patiënt diende ‘getemd’ te worden door de arts, die fungeerde als het morele rolmodel van de beheerste burger.[41]

           Deze ideologische koppeling tussen rationaliteit en burgerschap betekende dat de marginalisering van de lagere klassen geen incidenteel bijproduct, maar een constitutieve voorwaarde van het Porfiriaanse moderniseringsproject was. De sociale en politieke elites waren de overtuiging toegedaan dat nationale vooruitgang onmogelijk was zolang de sociale kwalen van de lagere klassen die hen tot ondeugd leidden niet waren uitgeroeid.[42] Om zich op internationaal niveau als een geordende, vreedzame en progressieve natie te kunnen presenteren, moest Mexico de groepen die niet in dit perfecte, moderne ideaalbeeld pasten actief uitsluiten.[43] In dit moderniseringsproject stelden de científicos orde en economische vooruitgang boven politieke vrijheid.[44]

           Het medisch-juridische discours bood voor de daaruit voortvloeiende uitsluiting de perfecte rechtvaardiging. Via selectief geïmporteerde Europese wetenschappelijke kaders werd wat feitelijk het gevolg van armoede, marginalisering en ongelijkheid was, gepathologiseerd als een onomkeerbaar, gevaarlijk en erfelijk defect. Deze interpretatie verschoof de causaliteit van criminaliteit van maatschappelijke ongelijkheid naar het individu, waardoor de staat impliciet werd ontheven van haar verantwoordelijkheid voor sociale misstanden.[45] Artsen fungeerden hierbij niet als neutrale observatoren, maar als normatieve autoriteiten wiens diagnoses direct politieke consequenties hadden. Deze uitsluitingslogica was bovendien tautologisch van aard: de elite dicteerde de normen van burgerschap op basis van de eigenschappen die zij zichzelf toedichtte, en stelde vervolgens ‘wetenschappelijk’ vast dat de onderklasse hieraan niet kon voldoen – niet door gebrek aan sociaaleconomische kansen, maar door gebrek aan erfelijke aanleg.

 

 

De constructie van ‘marihuana-waanzin’ als klassenfenomeen

 

Waar de degeneratietheorie in de Porfiriaanse context een breed en flexibel verklaringskader bood voor sociale afwijking, vereiste zij tegelijkertijd concrete fenomenen waarin deze vermeende degeneratie zichtbaar kon worden gemaakt. Het discours rondom ‘marihuana-waanzin’ – actief verspreid via medische theorieën en de opkomende sensatiepers – gaf deze abstracte uitsluitingslogica een uiterst concreet en publiekelijk herkenbaar gezicht. Marihuana vervulde hierin een cruciale functie; niet zozeer vanwege de farmacologische eigenschappen van de plant zelf, maar vanwege de manier waarop het gebruik ervan discursief werd gekoppeld aan waanzin, geweld en sociale inferioriteit. Marihuana werd daarmee het empirische bewijs van een reeds veronderstelde biologische en morele degeneratie. Marihuana werd al vroeg in de medische traditie van Morel opgenomen als één van de katalysatoren van degeneratie.[46] Tijdens het Porfiriato werd marihuana in de Mexicaanse publieke opinie niet slechts beschouwd als een bedwelmend middel, maar als een directe trigger die de ‘atavistische wreedheid’ van de onderklasse ontketende.[47] De arts Luis Cabrera gaf hier in 1900 een treffende wetenschappelijke verwoording aan:

 

Het roken ervan [marihuana] […] veroorzaakt een staat van geestelijke opwinding met hallucinaties met waanbeelden en onderbewuste neigingen tot agressie.[48]

 

           Deze typering van ‘marihuana-waanzin’ kreeg een dwingend sociaal karakter door de strikte demografische afbakening ervan. In het sociaal-hygiënische discours van het Porfiriato werd een scherp onderscheid gemaakt tussen de roesmiddelen van de elite en die van de massa. Waar andere middelen, zoals morfine, nog konden worden geassocieerd met hogere sociale klassen, werd marihuanagebruik juist gepositioneerd als vulgair en gevaarlijk, en  kenmerkend voor de moreel en biologisch inferieure lagen van de bevolking.[49] Daarnaast werd marihuanagebruik systematisch gekoppeld aan soldaten, gevangenen en de onderklasse.[50] Hoewel marihuanagebruik binnen het federale leger tot op zekere hoogte getolereerd leek te worden, rustte er op het gebruik door de reguliere burgerbevolking een zwaarder stigma; onder hen werd het overwegend veroordeeld als een sociaal gevaarlijke praktijk.[51]

           De methodologische basis van dit medische discours was echter zwak en circulair. Onderzoeken van de arts Genaro Pérez met reguliere gebruikers leverden nauwelijks effecten op, maar door over te schakelen op psychiatrische patiënten en suggestieve vraagstelling reproduceerde hij precies de symptomen die in de populaire en wetenschappelijke literatuur circuleerden.[52] Daarmee ontstond een tautologische redenering waarin reeds aanwezige psychiatrische problematiek als bewijs voor ‘marihuana-waanzin’ gold. In aansluiting hierop hebben sommige historici betoogd dat de waargenomen effecten van marihuana in deze periode mede moeten worden begrepen als een zogenoemd culture-bound syndrome, waarbij de manifestatie van gedrag niet enkel farmacologisch bepaald is, maar mede gevormd wordt door verwachtingen, sociale context en bestaande culturele overtuigingen over het middel.[53] Significant is dat zelfs negatieve bevindingen binnen een bevestigend kader werden geïnterpreteerd: ook sceptici van ‘marihuana-waanzin’ betwistten niet de premisse dat marihuana waanzin en geweld veroorzaakte. De discussie betrof niet óf, maar slechts in welke mate marihuana deze effecten had.[54]

           De Noorse etnograaf Carl Lumholtz, die Mexico bezocht, bevestigde in zijn verslagen dat het gebruik van marihuana overwegend beperkt bleef tot ‘criminelen en verdorvenen’.[55] Hoewel Lumholtz deze sterk moraliserende typering presenteerde als een objectieve, etnografische observatie, kan deze niet los worden gezien van de diepere ideologische verwevenheid van Lumholtz met het regime van Porfirio Díaz. In zijn werk El México Desconocido kwam deze politieke kleuring naar voren in zijn bewondering voor de dictatoriale orde van Díaz. Lumholtz stelde dat Díaz ‘de Republiek heeft gereorganiseerd […] en een natie heeft ontwikkeld’, en bestempelde Díaz als ‘de beste man van deze eeuw’.[56] Zijn visie op marihuanagebruik fungeert hier niet als een neutrale observatie, maar als een morele bevestiging van de noodzaak tot sociale controle; de ‘mexicanisering’ van inheemse volken werd door hem immers als een onvermijdelijk beschavingsproces gezien.[57]

           De sensatiepers, of nota roja, speelde een cruciale rol in het vertalen van deze theorieën naar het bredere publiek.[58] Invloedrijke kranten als El Imparcial, dat fungeerde als spreekbuis voor de standpunten van de científicos en tevens door de overheid werd gesubsidieerd, gaven aanzienlijk veel ruimte voor criminaliteit en geweldsincidenten.[59] Zelfs het katholieke La Voz de México, toentertijd een spreekorgaan van de katholieke kerk, nam deze berichtgeving dagelijks over.[60] Dat het katholieke La Voz de México dagelijks criminele incidenten rapporteerde op een manier die vergelijkbaar was met die van de gesubsidieerde regeringspers, getuigt van een breed gedragen pathologiserend discours waarin de onderklasse stelselmatig werd geconstrueerd als een ‘gedegenereerde’ en ‘waanzinnige’ dreiging voor de sociale orde. Kranten beperkten zich niet tot tekstuele verslagen, maar maakten ook gebruik van visuele middelen zoals diagrammen en foto’s – met het oogmerk de criminaliteit voor de lezer tastbaar te maken.[61] Door middel van deze visuele strategie brachten de dagbladen in Mexico-Stad misdaad op indringende wijze in beeld en verwoordden de verontwaardiging van de elite over het contrast tussen haar moderniseringsproject en het gedrag van de lagere klassen, die deze ambities niet leken te delen.[62] De representatie van de ‘marihuana-waanzinnige’ vond aansluiting bij deze berichtgeving, waarbij dit geconstrueerde beeld in kranten actief werd verspreid als een gestandaardiseerd type: vaak een soldaat of gevangene die door één enkel gebruik tot wreedheid verviel. Dit gestandaardiseerde beeld was niet beperkt tot de hoofdstad; ook de provinciale pers, zoals een katholiek blad in de staat Aguascalientes, hanteerde exact dezelfde koppeling van soldaat-marihuana-waanzin-geweld.[63] Dit versterkt het argument dat het ging om een breed gedeeld discours en niet om een lokaal fenomeen uit Mexico-Stad. Deze visuele strategie beperkte zich bovendien niet tot de kranten: ook in de populaire beeldcultuur, zoals de lithografieën van Mexicaans illustrator José Guadalupe Posada, werd marihuanagebruik geassocieerd met afwijkend gedrag en waanzin.[64] Deze voorstellingen lijken aan te sluiten bij reeds bestaande stereotypen en weerspiegelen daarmee opvattingen die ook in andere bronnen uit deze periode voorkomen.[65]

           Naast deze visuele representaties, speelde ook de geschreven terminologie in de pers een rol in het vertroebelen van de feiten, waarbij deze causaliteit opvallend flexibel en onnauwkeurig werd gehanteerd. Zo valt uit een bericht uit Aguascalientes, door het gebruik van het woord ebrio (dronken) af te leiden dat alcohol en marihuana in de berichtgeving soms door elkaar werden gehaald als oorzaken van dezelfde waanzin – een patroon dat Campos ook op nationaal niveau signaleert.[66] Een illustratief voorbeeld van de wijze waarop dit discours in de praktijk functioneerde, is de zaak van Juan Hernández in 1909. Hoewel het strafdossier geen melding maakt van marihuanagebruik en een getuige – de broer van de verdachte – verklaarde dat Hernández die dag ‘muy ebrio’ was, suggereerden kranten impliciet een verband met marihuana.[67] Zij benadrukten dat Hernández een regelmatige gebruiker was die gewelddadig gedrag vertoonde na consumptie, zonder echter expliciet te stellen dat dit ook in dit specifieke geval de oorzaak was.[68] Deze casus laat zien hoe de pers concrete geweldsincidenten inpaste binnen een reeds bestaand interpretatiekader, waarin marihuanagebruik als vanzelfsprekende verklaring voor dergelijk gedrag fungeerde. Veelzeggend is hoe een persbericht uit La Opinión van 1908 de koppeling legt zonder deze te expliciteren: een marinero wordt aangetroffen met marihuana, waarop de krant droog concludeert dat hij kennelijk ‘koste wat het kost gek wil worden’.[69] Geen geweldsincident, geen beschrijving van effecten – de loutere aanwezigheid van het middel volstaat als bewijs van een verlangen naar waanzin. Dat de redacteur dit zonder verdere toelichting kon schrijven, veronderstelt een publiek voor wie de koppeling ‘marihuana-waanzin’ zo evident was dat zij geen uitleg behoefde. De koppeling tussen marihuana en geweld was in de publieke opinie klaarblijkelijk zo diep ingesleten dat de loutere aanwezigheid van de plant in een bericht al volstond als bewijs van een verlangen naar waanzin.

           Wat door de elite bovendien gediagnosticeerd werd als irrationele, door marihuana geïnduceerde waanzin, bezat binnen de lagere klassen een andere logica. Gewelddadige confrontaties kwamen veelvuldig voort uit de noodzaak om persoonlijke eer te verdedigen; een sociaal kapitaal dat, juist vanwege de extreme armoede, met grote felheid werd bewaakt.[70] De pers reduceerde deze socio-economische overlevingsstrategie echter simpelweg tot ‘marihuana-waanzin’.

 

 

De ‘marihuana-verdediging’ en de grenzen van het burgerschap

 

Het nieuwe Strafwetboek van 1871 werd door de juridische en politieke gemeenschap beschouwd als moderne wetgeving die rekening zou houden met sociale behoeften, gelijkheid voor de rechter, en daarnaast een einde zou maken aan de willekeur van rechters.[71] Tegelijkertijd bewoog de ‘wetenschappelijke’ criminologie zich steeds meer richting het classificeren van kenmerken en gedrag van de lagere klassen als crimineel.[72] Doordat de elitaire visie op criminaliteit als een onderklasseverschijnsel stuitte op collectieve weerstand vanuit de lagere sociale klassen, werd de rechtsorde eerder een product van constante wisselwerking dan een onveranderlijk normatief kader.[73]

           Overeenkomstig artikel 34 lid 1-3 vormden geestesstoornis (enajenación mental), gerede twijfel bij intermitterende waanzin (locura intermitente) en volledig dronkenschap (embriaguez completa) schulduitsluitingsgronden in de zin van het ontbreken van toerekeningsvatbaarheid.[74] De reikwijdte van artikel 34 werd bovendien nader verbreed door artikel 970, waarin embriaguez niet langer uitsluitend werd opgevat als alcoholintoxicatie, maar als iedere door eigen toedoen veroorzaakte tijdelijke verstoring van de geestvermogens.[75] Daarmee ontstond een juridisch kader waarbinnen ook marihuana-intoxicatie onder de beoordeling van ontoerekeningsvatbaarheid kon vallen. De juridische gelijkstelling van marihuana-intoxicatie aan een vorm van vrijwillig dronkenschap bemoeilijkte zodoende de weg naar volledige vrijspraak voor de lagere klassen. In deze context – nog vóór de formele verbreding door artikel 970 – wierp jurist Celedonio Padilla de prangende vraag op in hoeverre de wettelijke definitie van dronkenschap ook andere vormen van intoxicatie omsloot:

 

Kan de staat van dronkenschap [embriaguez] waarover de wet spreekt, mede de voorbijgaande stoornis omvatten die wordt teweeggebracht door andere toxische middelen zoals chloroform, morfine, ether, [of] de plant die ons volk mariguana noemt?[76]

 

In zijn verdere betoog onderstreepte Padilla dat het recht niet zonder de medische wetenschap kan om te bepalen of iemand toerekeningsvatbaar is, waarbij hij zelfs zo ver gaat om de forensische geneeskunde het ‘baken’ te noemen.[77] Hij poogde de klassieke juridische traditie (gebaseerd op vrije wil) aan te vullen met de forensische geneeskunde, zonder daarbij te vervallen in het absolute biologisch determinisme.[78] Padilla verwierp het Italiaanse positivisme van Lombroso uitdrukkelijk, omdat dit determinisme de vrije wil – en daarmee het hele fundament van het strafrecht – zou schaden. In plaats daarvan behield hij de vrije wil als juridisch uitgangspunt, maar betoogde hij dat medische expertise cruciaal was om wetenschappelijk vast te stellen wanneer deze controle door intoxicatie tijdelijk was uitgeschakeld.[79] Hiermee ageerde Padilla, in lijn met aanhangers van de criminele pathologie, tegen het geldende juridische paradigma waarin slechts plaats was voor een binair onderscheid tussen de ‘redelijke’ en de ‘waanzinnige’. In dezelfde trant stelden kritische tijdgenoten zoals Rafael de Zayas Enríquez dat de jurisprudentie weigerde gradaties in toerekeningsvatbaarheid te erkennen, waardoor de complexiteit van het menselijk handelen werd gereduceerd tot een simplistische juridische tegenstelling.[80]

           Dit bredere spanningsveld tussen de medische roep om nuance en de binaire juridische traditie kwam scherp tot uiting in de discussie over intoxicatie. Het fundamentele meningsverschil hierover tussen Padilla en klassiek jurist José María Lozano – een vertegenwoordiger van de klassieke juridische traditie die streng vasthield aan de doctrine van vrije wil en de strikte interpretatie van de wet – draait om de definitie van volledig dronkenschap (lid 3) en het moment waarop iemand zijn rede verliest.[81] Lozano hanteerde een strikt cumulatief criterium voor volledig dronkenschap: deze toestand werd pas bereikt wanneer zowel de rede als de fysieke handelingsvrijheid – waaronder het algemeen bewustzijn – volledig waren opgeheven. In de optiek van Lozano impliceert de fysieke mogelijkheid om een misdaad te plegen dat het individu nog over een restant aan verstandelijke vermogens beschikt.[82] Als gevolg kon er geen sprake zijn van een schulduitsluitingsgrond wegens ontoerekeningsvatbaarheid, waardoor de dader strafrechtelijk verantwoordelijk bleef. Lozano stelde daarom dat uitsluitend de waarneembare aanwezigheid van waanzin grond kon bieden voor schulduitsluiting; een oordeel baseren op de aard van het delict of de omstandigheden waarin het werd gepleegd, wees hij af, omdat dat volgens hem puur op aannames berustte.[83] Door vast te houden aan een strikte interpretatie van ‘volledig dronkenschap’, poogde de wetgever specifiek een drempel op te werpen tegen misbruik van de waanzin-verdediging en de daarmee gepaard gaande kans op rechterlijke willekeur.[84] Er werd immers gevreesd dat delinquenten een dergelijke staat van intoxicatie doelbewust opzochten om strafvermindering te bedingen – een praktijk die onder militairen al langer werd gesignaleerd.[85] Ingevolge artikel 41 gold een staat van ‘onvolledige intoxicatie’ namelijk als een derdegraads verzachtende omstandigheid, wat een aanvullende prikkel vormde voor delinquenten om zich op intoxicatie te beroepen.[86]

           Padilla, wiens betoog sterk steunde op medisch-wetenschappelijke inzichten, verwierp Lozano’s stellingname als juridisch en fysiologisch onhoudbaar. Hij refereerde aan de drie stadia van intoxicatie om aan te tonen dat de cognitieve rede reeds in het tweede stadium verloren gaat, terwijl de somatische functies pas in het derde stadium (gekenmerkt door coma of lethargie) staken. Volgens Padilla veronachtzaamde Lozano deze fasering volledig.[87] Padilla stelde dat er binnen de theorie van Lozano sprake was van een verstoring van ideeën. Waar Lozano een synchroniciteit veronderstelde tussen het verlies van verstand en motorische functies, betoogde Padilla dat het brein in het tweede stadium al tot moreel defecte oordelen komt, terwijl het lichaam nog tot complexe handelingen in staat blijft.[88]

           Padilla problematiseerde tevens de praktische relevantie van het strafrecht indien men de lijn van Lozano zou volgen, waarbij de wet uitsluitend van toepassing is op het derde stadium van dronkenschap. Hij betoogde dat een wettelijk kader dat ontoerekeningsvatbaarheid pas erkent in de comateuze fase, elke doelmatigheid verliest; in deze staat is het individu immers fysiek niet langer in staat tot crimineel handelen. Padilla stelde daarentegen dat de juridische grens van volledig dronkenschap reeds bereikt wordt op het moment dat de morele oordeelsvorming fundamenteel is ontwricht, ongeacht de resterende motorische capaciteiten.[89]

           Ondanks Padilla’s medisch-wetenschappelijke onderbouwing bleven wetgevers vasthouden aan de strikte juridische implicaties volgens de klassieke leer, waarbij de eerder besproken vrees voor misbruik van de waanzin-verdediging de boventoon voerde. Dit culmineerde in 1903 in de Mexicaanse staat Puebla zelfs in een radicale herziening van de strafwetgeving, waarbij intoxicatie niet langer als schulduitsluitingsgrond, maar juist als een strafverzwarende omstandigheid werd gekwalificeerd.[90] Bijkomend, om de juridische ambiguïteit rondom embriaguez (intoxicatie) weg te nemen – een problematiek die Padilla in 1895 al had aangekaart voor de staat Jalisco – werd de specifieke referentie naar embriaguez, voorheen het derde lid van artikel 34, volledig geschrapt en ondergebracht bij de algemene bepaling over de geestesstoornis in het eerste lid.[91] Hiermee werd de weg voor een beroep op ontoerekeningsvatbaarheid wegens waanzin door intoxicatie afgesloten in Puebla, ten gunste van een repressiever strafmodel.

           In de praktijk traden rechters strenger op tegen dronkaards en geestelijk zieken – die werden gezien als sociale dreiging – dan tegen mannen die geweld pleegden ter verdediging van hun ‘eer’.[92] Zoals eerder is betoogd, vormde de verdediging van deze eer een cruciaal sociaal kapitaal voor de lagere klassen. Deze afwijking van de strikte wetstekst kan mede worden verklaard door de invloed van de populaire beeldcultuur op de toenmalige juridische cultuur.[93] Populaire pamfletten uit het Porfiriato tonen aan dat misdaden in de publieke verbeelding vaak werden geframed binnen een religieus-moreel kader, waarbij demonen of heiligen de aard van het delict symboliseerden.[94] Porfiriaanse rechters waren niet immuun voor wat Speckman Guerra typeert als ‘alternatieve concepties’ van rechtvaardigheid.[95] Deze culturele stroom vormde dan ook een informeel moreel kompas dat de discretionaire ruimte van de rechter beïnvloedde, waardoor medisch-juridische argumenten over verminderde toerekeningsvatbaarheid in de praktijk slechts beperkte overtuigingskracht hadden. Dit versterkte interpretaties waarin irrationeel gedrag minder werd gelezen als tijdelijke medische ontoerekeningsvatbaarheid en eerder als uiting van een bredere sociale en morele gevaarlijkheid.

           Wat betreft de functie van straf merkte de medische beroepsgroep op dat een louter punitieve gevangenisstraf tekortschoot, zoals bleek uit de hoge cijfers van criminaliteit en recidive. Daarom stelden zij voor dat overtreders klinisch door professionals zouden worden beoordeeld. Het doel was om de mate van gevaarlijkheid van de dader vast te stellen, met als uitkomst: of hij al dan niet geschikt was voor rehabilitatie. Deze methode zou zogenaamd de re-integratie van het individu in de samenleving garanderen, of juist zijn volledige uitsluiting.[96] De psychiatrie fungeerde, mede door de klinische beoordeling voor strafzaken, op deze wijze als een vorm van ‘sociale profylaxe’ – het preventief beschermen van het ‘maatschappelijke lichaam’ tegen verdere besmetting – om gedegenereerde individuen (de lagere klassen) en politieke tegenstanders uit de samenleving te verwijderen.[97] Hiermee manifesteerde de psychiatrische en juridische praktijk zich als een tastbaar instrument van sociale controle.

           Deze uitsluitingslogica bezat ook een juridische dimensie die verder reikte dan het toerekeningsvatbaarheidsdebat. Het concept van peligrosidad (gevaarlijkheid) – de predispositie tot criminaliteit van individuen die nog geen misdrijf hadden begaan – circuleerde tijdens het Porfiriato al in juridische kringen en vond institutionele vertaling.[98] De jurist Antonio de Medina y Ormachea betoogde in 1890 al dat vaganten en criminelen niet gesanctioneerd moesten worden voor wat zij hadden gedaan, maar voor wat zij zouden kunnen worden: hij kwalificeerde hen als een ‘een dagelijks en wijdverspreid sociaal gevaar’ en bepleitte staatsingrijpen.[99] Dit preventieve uitsluitingsdenken werd in 1906 concreet in het voorstel van jurist Querido Moheno om criminelen – waaronder chronische alcoholisten – preventief naar strafkolonies te deporteren, mede onderbouwd met het argument dat zij ‘anatomische, functionele en psychische degeneraties’ erfelijk doorgaven; in afgeslankte vorm werd deportatie in 1908 daadwerkelijk in de wet opgenomen voor recidivisten.[100] Hoewel Speckman Guerra de marihuanagebruiker niet expliciet bespreekt, volgt uit het voorgaande dat deze binnen precies dezelfde classificatielogica viel: door de marihuanagebruiker discursief te construeren als inherent irrationeel en onbeheersbaar, werd zijn levensstijl – los van een gepleegd delict – als dreiging gedefinieerd.

 

 

Conclusie

 

Dit artikel heeft betoogd dat het medisch-juridische discours rondom ‘marihuana-waanzin’ tijdens het Porfiriato wezenlijk meer behelsde dan slechts een medisch of criminologisch vraagstuk. Het fungeerde als een constitutief grensmechanisme van de moderne natie – niet als een incidenteel bijproduct van modernisering, maar als één van haar fundamentele voorwaarden. Door de lens van marihuana wordt zichtbaar hoe de pathologisering van de onderklasse systematisch werd ingezet om de grenzen van het moderne, rationele burgerschap te bewaken.

           Deze uitsluitingslogica kwam tot stand door een wisselwerking tussen wetenschap, media en het recht. Allereerst bood de selectief geïmporteerde degeneratietheorie een wetenschappelijk kader om armoede en marginalisatie te herdefiniëren als onomkeerbare, biologische defecten. Vervolgens fungeerde de constructie van ‘marihuana-waanzin’ door artsen en de sensatiepers als het ultieme empirische bewijs voor deze veronderstelde degeneratie. De marihuanagebruiker werd in de publieke opinie stelselmatig gepresenteerd als irrationeel en onbeheersbaar. Tot slot formaliseerde het juridische apparaat deze uitsluiting.

           Hoewel het strafrecht via artikel 34 in theorie ruimte bood voor ontoerekeningsvatbaarheid wegens waanzin door intoxicatie, leidde de vrees voor misbruik hiervan door de lagere klassen tot een repressieve praktijk. Met de ontwikkeling van het concept peligrosidad werd de uitsluitingslogica zelfs preventief van aard: de marihuanagebruiker hoefde geen misdrijf te hebben gepleegd om als pathologische dreiging te worden geclassificeerd; zijn levensstijl en klassenachtergrond golden op zichzelf als afdoende bewijs van onverenigbaarheid met de moderne natie.

           Door deze dynamiek bloot te leggen, biedt dit artikel een noodzakelijke synthese tussen burgerschapstheorie, recht- en drugsgeschiedenis. Het verplaatst de historiografische focus van puur institutionele repressie naar een fundamenteler begrip van hoe de normen voor subjectiviteit en rationaliteit doelbewust werden ingezet als uitsluitingsinstrumenten. De bredere implicatie hiervan is dat natiebouw in de moderne periode niet alleen ‘positief’ verloopt – door de definitie van wie erbij hoort – maar evenzeer ‘negatief’, door de wetenschappelijke constructie van figuren die structureel buiten de natie vallen. Sociale ongelijkheid was voor het Porfiriaanse regime geen vaststaand feit dat het simpelweg waarnam, maar iets wat het via medische kaders actief legitimeerde en in stand hield.

           Dit artikel heeft primair de top-down constructie van dit discours geanalyseerd. De mate waarin de lagere klassen dit pathologiserende discours strategisch toe-eigenden of juist ondermijnden, en hoe de Revolutie van 1910 deze uitsluitingslogica verder vormgaf, verdienen nader onderzoek. Al met al was marihuana in het Porfiriato een scherp breekpunt waarlangs het ideaal van de rationele burger zijn tegenhanger construeerde – en daarmee, uiteindelijk, zichzelf.

​​​​

Bibliografie

[1] ‘Efectos de la mariguana’ [Effecten van marihuana], La Voz de México, 18 november 1893, Hemeroteca Nacional de México.

[2] Isaac Campos, Home Grown. Marijuana and the Origins of Mexico’s War on Drugs (Chapel Hill 2012) 93, 118, 173.

[3] Ibidem, 132-133.

[4] T.H. Mata-Zamora, ‘Mariguana, estigma y rechazo social. Apuntes para una genealogía de la condena al consumidor de cannabis psicoactiva en México’ [Marihuana, stigma en maatschappelijke afwijzing. Aantekeningen voor een genealogie van de veroordeling van gebruikers van psychoactieve cannabis in Mexico], Cultura y Droga [Cultuur en drugs] 25:30 (2020) 219-243: 233.

[5] Campos, Home Grown, 174. Voor de originele wettekst, zie: Código Penal de 1871, artikel 34.

[6] E. Speckman Guerra, Crimen y castigo. Legislación penal, interpretaciones de la criminalidad y administración de justicia (Ciudad de México, 1872 - 1910) [Misdaad en straf. Strafrecht, interpretaties van criminaliteit en rechtsbedeling (Mexico-Stad, 1872 - 1910)] (Doctoraalscriptie, El Colegio de México, Mexico-Stad 1999) 332.

[7] R.M. Buffington, Criminal and Citizen in Modern Mexico (Lincoln 2000) 21. Gearchiveerd door het IISG, inv. nr. Bro N 1069 98.

[8] Speckman Guerra, Crimen y castigo, 30.

[9] Ibidem, 109, 335; Buffington, Criminal and Citizen, 44; Voor de kritiek dat Buffington het begrip ‘burgerschap’ te vaag laat en de juridische dimensies ervan onvoldoende uitwerkt, zie: S.M. Arrom, Recensie van ‘Criminal and Citizen in Modern Mexico’ door R.M. Buffington, The Americas 58:1 (2001) 162-163: 163.

[10] Campos, Home Grown, 89, 174.

[11] Y. Arellano Navarrete, ‘Médicos vs. abogados. El conflicto intelectual sobre la etiología criminal en México (1877-1899)’ [Artsen vs. advocaten. Het intellectuele conflict over de criminele etiologie in Mexico (1877-1899)], Contribuciones desde Coatepec [Bijdragen uit Coatepec] 39 (2023) 117-135: 119.

[12] Voor een bredere internationale context van de verschuiving van getolereerde ondeugden naar verboden middelen in de moderne staatsvorming, zie: D.T. Courtwright, Forces of Habit. Drugs and the Making of the Modern World (eerste druk; Cambridge MA 2002); Zie voor de rol van Mexico ook: P. Piccato, City of Suspects. Crime in Mexico City, 1900-1931 (Durham-Londen 2001).

[13] A.C. Rodríguez de Romo, ‘Los médicos como gremio de poder en el Porfiriato’ [Artsen als machtsgilde tijdens het Porfiriato], Boletín Mexicano de Historia y Filosofía de la Medicina [Mexicaans Tijdschrift voor Geschiedenis en Filosofie van de Geneeskunde] 5:2 (2002) 4-9: 4.

[14] Ibidem, 5.

[15] M.O. Yáñez Hernández, El papel de la política exterior mexicana en el crecimiento económico y modernización del país durante el Porfiriato [De rol van het Mexicaanse buitenlandse beleid in de economische groei en modernisering van het land tijdens het Porfiriato] (Bachelorscriptie, Universiteit van Guadalajara, Guadalajara JA 2021) 14.

[16] S. Guevara García, ‘Los médicos mexicanos durante las últimas tres décadas del siglo XIX. Entre el mundo vital y el mundo social’ [Mexicaanse artsen tijdens de laatste drie decennia van de 19e eeuw. Tussen de leefwereld en de sociale wereld], Intersticios Sociales [Sociale Tussenruimten] 15:30 (2025) 91-108: 91.

[17] Ibidem, 97.

[18] S. Caponi, ‘Para una genealogía de la anormalidad. La teoría de la degeneración de Morel’ [Naar een genealogie van de abnormaliteit. De degeneratietheorie van Morel], Scientiae Studia 7:3 (2009) 425-445: 442.

[19] G. González Ascencio, ‘Positivismo y organicismo en México a fines del siglo XIX. La construcción de una visión determinista sobre la conducta criminal en alcohólicos, mujeres e indígenas’ [Positivisme en organicisme in Mexico aan het eind van de 19e eeuw. De constructie van een deterministische visie op crimineel gedrag bij alcoholisten, vrouwen en inheemse volkeren], Alegatos [Pleidooien] 76 (2010) 693-724: 705, 706; Met ‘spencerianisme’ wordt verwezen naar een vorm van sociaal-evolutionair denken die theorieën over biologische evolutie direct toepaste op het functioneren van de maatschappij.

[20] F. Gorbach, ‘El tratamiento moral de la locura y el sujeto moderno. México a finales del siglo XIX’ [De morele behandeling van waanzin en het moderne subject. Mexico aan het einde van de 19e eeuw], in: J.M. Comelles en Serena Brigidi, Locuras, culturas e historia  [Waanzin, culturen en geschiedenis] (eerste druk; Tarragona 2014) 49-66: 52.

[21] Arellano Navarrete, ‘Médicos vs. abogados’, 119.

[22] E.L. Abel, ‘Benedict-Augustin Morel (1809–1873)’, American Journal of Psychiatry 161:12 (2004) 2185: 2185; Caponi, ‘Para una genealogía de la anormalidad’, 428, 430.

[23] Caponi, ‘Para una genealogía de la anormalidad’, 431.

[24] Ibidem.

[25] J.A. Maya González, ‘El país de los degenerados. Los usos sociales de la teoría degeneracionista en la cultura escrita a finales del siglo XIX, Ciudad de México’ [Het land van de gedegenereerden. Het sociale gebruik van de degeneratietheorie in de schriftelijke cultuur aan het einde van de 19e eeuw, Mexico-Stad], Revista Electrónica de Psicología Iztacala [Elektronisch Tijdschrift voor Psychologie Iztacala] 23:4 (2020) 1817-1846: 1818.

[26] Caponi, ‘Para una genealogía de la anormalidad’, 430.

[27] R. Campos, J. Martínez Pérez en R. Huertas García-Alejo, Los ilegales de la naturaleza. Medicina y degeneracionismo en la España de la Restauración, 1876-1923 [De illegalen van de natuur. Geneeskunde en degenerationisme in het Spanje van de Restauratie, 1876-1923] (Madrid 2000) 198; Maya González, ‘El país de los degenerados’, 1824.

[28] Maya González, ‘El país de los degenerados’, 1820.

[29] Ibidem; Caponi, ‘Para una genealogía de la anormalidad’, 444.

[30] Campos, Home Grown, 127-128; Speckman Guerra, Crimen y castigo, 119.

[31] Speckman Guerra, Crimen y castigo, 120.

[32] De term mestiezen verwijst in deze context naar personen van gemengde inheemse en Europese afkomst.

[33] Guevara García, ‘Los médicos mexicanos’, 99.

[34] Speckman Guerra, Crimen y castigo, 109.

[35] Buffington, Criminal and Citizen, 57.

[36] Courtwright, Forces of Habit, 168.

[37] Buffington, Criminal and Citizen, 18, 34.

[38] Guevara García, ‘Los médicos mexicanos’, 108; Speckman Guerra, Crimen y castigo, 102.

[39] Gorbach, ‘Tratamiento moral de la locura’, 56.

[40] Ibidem.

[41] Ibidem, 57.

[42] Mata-Zamora, ‘Mariguana, estigma y rechazo social’, 233.

[43] J.A. Enríquez, Fin de Siècle Mexican Novelists (Doctoraalscriptie, Universiteit van Californië - Riverside, Riverside CA 2014) 22.

[44] Yáñez Hernández, Política exterior en el Porfiriato, 14.

[45] González Ascencio, ‘Positivismo y organicismo en México’, 711.

[46] Maya González, ‘El país de los degenerados’, 1818.

[47] Campos, Home Grown, 90, 102.

[48] L.G. Cabrera, Plantas curativas de México. Propiedades medicinales de las mas conocidas plantas de México, su aplicación correcta y eficaz [Geneeskrachtige planten van Mexico. Medicinale eigenschappen van de bekendste planten van Mexico, hun correcte en effectieve toepassing] (eerste druk; s.l. 1900) 144-145 (eigen vertaling). Originele tekst: ‘pues origina hábito el fumarla, y provoca entonces un estado de excitación cerebral con alucinaciones delirantes y tendencias subconscientes de agresividad’.

[49] L.A. Astorga Almanza, El siglo de las drogas. Del Porfiriato al nuevo milenio [De eeuw van drugs. Van het Porfiriato tot het nieuwe millennium] (eerste druk; Culiacán 1996) 37. Astorga Almanza citeert hier de historicus Jesús Galindo y Villa (1927), die een scherp sociaal onderscheid maakt tussen morfinegebruik onder de intellectuele- en artistieke elite (‘degenerados superiores’) en het gebruik van marihuana, dat hij bestempelt als ‘een van de meest rampzalige tegenslagen van ons lagere volk’.

[50] Ibidem, 37; Maya González, ‘El país de los degenerados’, 1824; Bijv. ‘La marihuana’ [Marihuana], El Imparcial, 2 september 1897, sectie Comunicados, Hemeroteca Nacional de México.

[51] Mata-Zamora, ‘Mariguana, estigma y rechazo social’, 235.

[52] Campos, Home Grown, 171.

[53] Ibidem, 180.

[54] Ibidem, 169.

[55] Ibidem, 85.

[56] L. Romo Cedano, ‘Carl Lumholtz y El México desconocido’ [Carl Lumholtz en het onbekende Mexico], in: Manuel Ferrer Muñoz, La imagen del México decimonónico de los visitantes extranjeros. ¿Un Estado-Nación o un mosaico plurinacional? [Het beeld van het negentiende-eeuwse Mexico van buitenlandse bezoekers. Een natiestaat of een plurinationaal mozaïek?] (eerste druk; Mexico-Stad 2002) 331-367: 361.

[57] Ibidem, 360.

[58] Nota roja is een journalistiek genre dat zich focust op verhalen van geweld, criminaliteit, ongelukken en natuurrampen, zie: Mata-Zamora, ‘Mariguana, estigma y rechazo social’, voetnoot 9.

[59] Piccato, City of Suspects, 55.

[60] Ibidem.

[61] Ibidem.

[62] Ibidem, 54.

[63] El Católico, 23 juni 1906, aangehaald in: E. de Jesús Guerrero Valdez, Los primeros pasos hacia la medicalización de la locura en Aguascalientes durante el Porfiriato (1880-1910) [De eerste stappen richting de medicalisering van waanzin in Aguascalientes tijdens het Porfiriato (1880-1910)] (Masterscriptie, Universidad Autónoma de Aguascalientes, Aguascalientes AG 2022) 80.

[64] Campos, Home Grown, 159-160.

[65] Voor voorbeelden van Posada’s lithografieën waarin marihuanagebruik en afwijkend gedrag worden verbeeld, waaronder de figuur Don Chepito Mariguano, zie: Campos, Home Grown, 157-161.

[66] El Tiempo, 9 juli 1906, sectie Gacetilla, Hemeroteca Nacional de México; Campos, Home Grown, 112.

[67] Campos, Home Grown, 179.

[68] Ibidem.

[69] ‘Un consejo inútil’ [Een nutteloos advies], La Opinión, 20 april 1908, Hemeroteca Nacional de México.

[70] Campos, Home Grown, 166.

[71] Arellano Navarrete, ‘Médicos vs. abogados’, 118.

[72] P.L. Reich, ‘Recent Research on the Legal History of Modern Mexico’, Mexican Studies/Estudios Mexicanos 23:1 (2007) 181-193: 186.

[73] Ibidem, 192.

[74] J.M. Lozano, Derecho penal comparado. O El código penal del Distrito Federal y Territorio de la Baja-California, concordado y comentado [Vergelijkend strafrecht. Het wetboek van strafrecht van het Federale District en het Territorium Baja California, geconcordeerd en becommentarieerd] (Mexico 1874) 125.

[75] Campos, Home Grown, 173-174.

[76] C. Padilla, La embriaguez, circunstancia exculpante de los delitos. Exposición del percepto contenido en la fracción 3a. del articulo 34 del Código penal de Jalisco [Dronkenschap als schulduitsluitingsgrond. Uiteenzetting van het voorschrift in lid 3 van art. 34 van het Strafwetboek van Jalisco] (Guadalajara JA 1895) 51 (eigen vertaling). Originele tekst: ‘¿La embriaguez de que habla la ley puede incluir la perturbación pasajera producida por otras substancias tóxicas como el cloroformo, la morfina, el éter, la planta que nuestro pueblo nombra mariguana?’.

[77] Ibidem, 12 (eigen vertaling). Originele tekst: ‘En este mar obscuro de dudas científicas, la medicina legal es el faro’.

[78] Ibidem, 17, 19.

[79] Ibidem.

[80] Arellano Navarrete, ‘Médicos vs. abogados’, 122.

[81] Hoewel Padilla en de wettekst nog spreken over ‘embriaguez’ (dronkenschap), is dit discours, door de nader verbrede reikwijdte van art. 34 lid 3, ook toepasbaar op marihuana-intoxicatie gezien dezelfde tijdelijke ‘opheffing van de vrije wil’ door de substantie.

[82] Lozano, Derecho penal comparado, 147-148; Padilla, La embriaguez, 26-27.

[83] Arellano Navarrete, ‘Médicos vs. abogados’, 123.

[84] Campos, Home Grown, 174.

[85] Ibidem, 173-174, 176.

[86] Ibidem, 174.

[87] Padilla, La embriaguez, 29-30.

[88] Ibidem, 30-32.

[89] Ibidem, 54-55.

[90] Campos, Home Grown, 175.

[91] Ibidem, 176.

[92] Reich, ‘Legal History of Modern Mexico’, 188.

[93] Ibidem.

[94] Speckman Guerra, Crimen y castigo, 248; Reich, ‘Legal History of Modern Mexico’, 188.

[95] Speckman Guerra, Crimen y castigo, 248.

[96] Arellano Navarrete, ‘Médicos vs. abogados’, 118-119.

[97] A. Ríos Molina, ‘Locos letrados frente a la psiquiatría mexicana a inicios del siglo XX’ [Geletterde gekken tegenover de Mexicaanse psychiatrie aan het begin van de 20e eeuw], Frenia 4:2 (2004) 17-35: 18.

[98] E. Speckman Guerra, ‘Malvivientes y otros sujetos temibles. Peligrosidad sin delito y defensa social preventiva (México, siglos XIX y XX)’ [Slechtlevenden en andere angstaanjagende subjecten. Gevaarlijkheid zonder misrijf en preventieve sociale verdediging], Historia mexicana [Mexicaanse geschiedenis] 73:3 (2024) 1081-1124: 1081-1082.

[99] Ibidem, 1087.

[100]​ Ibidem, 1090-1092.

bottom of page